of 206 /206
603.45.278 INSTRUCTIEBOEKJE

Handleiding Fiat Ducato 2001

Embed Size (px)

Text of Handleiding Fiat Ducato 2001

  • NEDER-LANDS

    De gegevens in deze publicatie zijn uitsluitend indicatief bedoeld. FIAT behoudt zich het recht voor op elk moment de in dit boekje beschreven modellen om technische of commercile redenen te wijzigen.

    Voor de laatste informatie hieromtrent kunt u zich tot de FIAT-dealer wenden.

    603.45.278INSTRUCTIEBOEKJE

  • BANDENSPANNING IN KOUDE TOESTAND (bar)

    Druknummer 603.45.278 - XI/2000 - 1e Editie - Gedrukt door: Hoogcarspel Grafische Communicatie - MiddenbeemsterEindredactie Satiz S.p.A.

    MOTOROLIE VERVERSEN

    BRANDSTOFTANK (liter)

    2000 Benzine 1905 Diesel 2800 Dieselliter kg liter kg liter kg

    Motorcarter 5 4,5 5,4 4,9Motorcarter en filter 5,25 4,7 6,0 5,4

    2000 Benzine 1905 Diesel 2800 Diesel

    Inhoud brandstoftank 80 80 80Brandstofreserve 810 810 810

    De benzinemotoren zijn uitsluitend geschikt voor loodvrije benzine met een octaangetal ten minste 95 RON.Tank bij deze auto uitsluitend dieselbrandstof voor motorvoertuigen die voldoet aan Europese specificaties EN590.

    Bandenmaat

    195/70 R15 Reinforced (97S)195/70 R15C (103 Q)

    195/70 R15 Reinforced (97S)195/70 R15C (103 Q)

    215/70 R15C (109/107 R)215/70 R15C (109 Q) Camping Car

    195/70 R15C (103 Q)215/70 R15C (109 Q) Camping Car

    215/70 R15C (109/107 R)215/70 R15C (109 Q) Camping Car

    205/75 R16C (110/108 Q)215/75 R16C (113/111 N) Camping Car

    215/75 R16C (113/111 Q)215/75 R16C (113/111 N) Camping Car

    Onbelast en volbeladenVoor Achter

    3 34,1 4,53 3

    4,1 4,54,1 4,55 5

    4,1 4,55 5

    4,1 4,55 5

    4,5 4,55,5 5,54,5 4,55,5 5,5

    Uitvoering

    10 Alle uitvoeringenalleen voor Panorama en Ambulance 2.8 JTD4x4 (2.0)4x4 (2.8 D - 2.8 JTD)Alle uitvoeringen optional code 141Alle uitvoeringen optional code 143

    14 Alle uitvoeringenVerlaagd chassisAlle uitvoeringen optional code 141Alle uitvoeringen optional code 143

    MAXI Alle uitvoeringenVerlaagd chassisAlle uitvoeringen optional 141Alle uitvoeringen optional 143

    Importeur voor Belgi:FIAT AUTO BELGIO

    Genvestraat 1751140 Brussel

    Importeur voor Nederland:FIAT AUTO NEDERLAND B.V.

    Hullenbergweg 1-31101 BW Amsterdam Zuidoost

  • ABSOLUUT LEZEN!BRANDSTOFTANK

    Benzinemotoren: Tank bij deze auto uitsluitend loodvrije benzine met een minimum octaangetal 95 RON.

    Dieselmotoren: Tank bij deze auto uitsluitend dieselbrandstof voor motorvoertuigen die voldoet aan Europese specificaties EN590.

    MOTOR STARTEN

    Controleer of de handrem is aangetrokken; zet de versnellingspook in vrij; trap het koppelingspedaal volledigin, maar trap het gaspedaal niet in; vervolgens:

    benzinemotoren: draai de start-/contactsleutel in stand AVV en laat hem los zodra de motor aanslaat.

    dieselmotoren: draai de start-/contactsleutel in stand MAR en wacht tot de waarschuwingslampjes men doven; draai de start-/contactsleutel in stand AVV en laat hem los zodra de motor aanslaat.

    PARKEREN BOVEN BRANDBARE MATERIALEN

    Ook onder normale bedrijfsomstandigheden bereikt de katalysator hoge temperaturen. Parkeer daarom nietboven brandbare materialen (gras, droge bladeren, dennennaalden enz.): brandgevaar.

    K

  • ELEKTRISCHE APPARATUUR

    Als u na aanschaf van uw auto accessoires wilt monteren die stroom verbruiken (waardoor de accu langzaam kan ontladen), dient u contact op te nemen met Fiat-dealer. Deze kan u de meest geschikteinstallaties aanraden die de accu niet uitputten.

    CODE-card

    Bewaar deze op een veilige plaats, maar niet in de auto. Wij raden u aan de elektronische code van de CODE-card altijd bij u te hebben omdat deze onmisbaar is voor het uitvoeren van een noodstart.

    GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD

    Bedenk dat een goed onderhoud van de auto de beste manier is om de prestaties en de veiligheid van de auto gedurende langere tijd te garanderen. Daarbij wordt ook het milieu ontzien en blijven de exploitatie-kosten laag.

    IN HET INSTRUCTIEBOEKJE

    vindt u informatie, tips en belangrijke waarschuwingen voor het juiste gebruik, veilig rijden en het onderhoudvan uw auto. Besteed vooral aandacht aan de informatie bij de symbolen " (veiligheid van personen) # (bescherming van het milieu) (conditie van de auto).

  • WELKOM AAN BOORD VAN DE DUCATO

    Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Ducato. Met deze bedrijfsauto bent u verzekerd van een groot laadvermogen, veiligheid en rijplezier. Bovendien is de Ducato een automet respect voor het milieu. De doelmatigheid van elk detail, zijn veelzijdigheid, de prestaties van de motor, de veleaccessoires en optionals, de veiligheidssystemen en de recycleerbare onderdelen maken de Ducato tot een uniekebedrijfsauto.

    U zult het merken zodra u met de Ducato begint te rijden.

    En ook daarna, want u zult ontdekken dat deze auto door zijn hoge kwaliteitsniveau u alles zal bieden wat u ver-langt, zelfs onder de zwaarste bedrijfsomstandigheden.

    Voordat u vertrekt, raden we u aan dit boekje aandachtig te lezen. Het is een onmisbare gids waarmee u iederaspect van uw Ducato leert kennen. Ook leest u hoe u uw Ducato het beste kunt gebruiken. Bovendien biedt ditboekje u belangrijke aanwijzingen voor uw veiligheid, het in conditie houden van de auto en milieubewust auto-rijden.

    In de SERVICE- EN GARANTIEHANDLEIDING vindt u naast het schema voor het geprogrammeerd onderhoud: het garantiecertificaat en de bijbehorende voorwaarden een overzicht van de speciale aanvullende service voor clinten.

    Veel leesplezier, goede reis... en veel plezier in uw werk!

    1

  • VEILIG EN MILIEUBEWUST RIJDEN

    Veiligheid, respect voor het milieu en optimalisering van het laadvermogen zijn de uitgangspunten geweest bijhet ontwerpen van de Ducato.

    Zowel de nieuwe motoren, de veiligheidsvoorzieningen en het grote comfort voor de bestuurder en zijn mede-inzittenden, als het grote gebruiksgemak dragen ertoe bij om de persoonlijkheid van uw Ducato te waarderen.

    En ook daarna, want u zult ontdekken dat naast de karakteristieke stijl en het temperament, door nieuwe pro-ductietechnieken de onderhoudskosten laag zullen blijven.

    Wij willen u er bovendien aan herinneren dat de Ducato niet alleen een milieubewuste auto is tijdens het ge-bruik, maar ook daarna. Fiat heeft hard gewerkt om een zeer ambitieus doel te bereiken: 100% recycling.Aan heteinde van zijn lange levensduur kan de Ducato eenvoudig ontmanteld en al zijn onderdelen gerecycleerd worden.Voor de natuur betekent dat een groot voordeel: niets gaat verloren, niets wordt gestort en er zijn minder nieuwegrondstoffen nodig.

    2

  • De signalen die u op deze pagina ziet, zijn zeer belangrijk. Zij staan bij onderdelen in dit boekje waar we extraaandacht voor vragen.

    Zoals u ziet, bestaat elk signaal uit een verschillend symbool. Zo wordt direct duidelijk om welk onderwerp hetgaat:

    SIGNALEN VOOR EEN CORRECT GEBRUIK VAN UW AUTO

    Veiligheid van de inzittenden.Attentie. Het niet of gedeeltelijk op-volgen van deze instructies kan gevaaropleveren voor de inzittenden.

    Bescherming van het milieu.Aanwijzing voor het juiste gedrag,zodat het gebruik van de auto zo minmogelijk schade aan het milieu op-levert.

    Conditie van de auto.Attentie. Het niet of gedeeltelijk op-volgen van deze instructies schaadt deconditie van de auto en zal in veel ge-vallen ook de garantie doen vervallen.

    3

  • Bobine

    Hoge spanning.

    Accu

    Corrosieve vloeistof.

    Accu

    Ontploffingsgevaar.

    Ventilateur

    Kan automatisch in-schakelen bij stilstaandemotor.

    SYMBOLENOp of in de nabijheid van enkele on-

    derdelen van uw Ducato zijn specifiekgekleurde plaatjes aangebracht metdaarop symbolen die uw aandacht vragen en die voorzorgsmaatregelenaangeven die u in acht moet nemen alsu met het betreffende onderdeel temaken krijgt.

    Hierna volgen kort samengevat desymbolen die vermeld staan op deplaatjes die op uw Ducato zijn aange-bracht met daarnaast het onderdeelwaarop het symbool betrekking heeft.

    Bovendien zijn de symbolen naar betekenis in groepen onderverdeeld:gevaar, verbod, waarschuwing en ver-plichting.

    SYMBOLEN DIE GEVAARAANDUIDEN

    Expansiereservoir

    Draai de dop niet los alsde koelvloeistof nog heetis.

    4

  • Remcircuit

    De vloeistof in het reser-voir mag het maximum niveau niet overschrijden.

    Gebruik uitsluitend de vloeistof die isaangegeven in de Vullingstabel.

    Stuurbekrachtiging

    De vloeistof in het reser-voir mag het maximum niveau niet overschrijden.

    Gebruik uitsluitend de vloeistof die isaangegeven in de Vullingstabel.

    Katalysator

    Parkeer niet bovenbrandbare materialen.Raadpleeg het hoofdstuk:

    Voorzorgsmaatregelen voor hetbehoud van de emissiereductiesyste-men.

    Accu

    Niet dichtbij komen metopen vuur.

    Accu

    Houd kinderen op af-stand.

    Hitteschilden -riemen - poelies -ventilateur

    Niet aanraken.

    Slangen van de airconditioning

    Niet openen.

    Gas onder hoge druk.

    Riemen en poelies

    Bewegende delen; nietdichtbij komen met lichaamsdelen of kleding-

    stukken.

    VERBODSSYMBOLEN

    5

    WAARSCHUWINGS-SYMBOLEN

  • Accu Krik

    Raadpleeg het instruc-tieboekje.

    Accu

    Bescherm de ogen.

    Ruitenwissers

    Gebruik uitsluitend devloeistof die is aangegevenin de Vullingstabel.

    Motor

    Gebruik uitsluitend desmeermiddelen die zijnaangegeven in de Vullings-

    tabel.

    Auto rijdt opmilieuvriendelijkebenzine

    Tank uitsluitend loodvrije benzinemet een octaangetal van 95 R.O.N.

    VERPLICHTINGSSYMBOLEN

    6

    Auto rijdt op diesel

    Tank uitsluitend diesel-brandstof.

    Expansiereservoir

    Gebruik uitsluitend devloeistof die is aangegevenin de Vullingstabel.

    DIESEL

  • 7

    WEGWIJS IN UW AUTO

    CORRECT GEBRUIK VAN DE AUTO

    NOODGEVALLEN

    ONDERHOUD VAN DE AUTO

    TECHNISCHE GEGEVENS

    ACCESSOIRES MONTEREN

    ALFABETISCH REGISTER

    INHOUD

  • INSTRUMENTEN .............................................................. 27CONTROLE- EN WAARSCHUWINGSLAMPJES ..... 28VERWARMING EN VENTILATIE ................................... 32AIRCONDITIONING....................................................... 35EXTRA VERWARMING .................................................... 37HENDELS AAN HET STUUR ......................................... 41BEDIENINGSKNOPPEN ................................................. 43BRANDSTOF-NOODSCHAKELAAR........................... 44TACHOGRAAF .................................................................. 45INTERIEURUITRUSTING ................................................ 46PORTIEREN ........................................................................ 49MOTORKAP ....................................................................... 53KOPLAMPEN ..................................................................... 54ABS ....................................................................................... 56AIRBAG ............................................................................... 58AUTORADIO ..................................................................... 60VOORBEREIDING VOOR IMPERIAAL/SKIDRAGER.................................................. 61TANKEN MET DE DUCATO ......................................... 61BESCHERMING VAN HET MILIEU ............................... 63

    8

    Wij raden u aan dit hoofdstuk te lezen terwijl ucomfortabel in uw nieuwe Ducato zit. Zo kunt u de indit boekje beschreven delen direct herkennen en allesproberen.

    Op deze manier raakt u in korte tijd vertrouwd metde bedieningsknoppen en de installaties waarmee uwDucato is uitgerust. Wanneer u de motor start en deweg op gaat, zult u nog veel meer aardige eigenschap-pen van uw nieuwe auto ontdekken.

    FIAT CODE ........................................................................ 9START-/CONTACTSLOT.................................................. 11ZITPOSITIE INSTELLEN .................................................. 12VEILIGHEIDSGORDELS .................................................. 15KINDEREN VEILIG VERVOEREN ................................... 18GORDELSPANNERS ........................................................ 22DASHBOARD .................................................................... 23INSTRUMENTENPANEEL .............................................. 25

    WEGWIJS IN UW AUTO

  • FIAT CODEVoor een nog betere bescherming

    tegen diefstal is de auto uitgerust meteen elektronische startblokkering (FiatCODE). Het systeem schakelt auto-matisch in als de start-/contactsleutelwordt uitgenomen. In de handgreepvan de sleutels zit een elektronischcomponent gemonteerd dat bij hetstarten van de motor een signaal ont-vangt via een speciale antenne die inhet start-/contactslot is ingebouwd.

    Dit signaal wordt omgezet in een ge-codeerd signaal en vervolgens aan deregeleenheid van de Fiat CODE ge-zonden, die, als de code wordt her-kend, het starten van de motor mo-gelijk maakt.

    DE SLEUTELS

    Bij de auto worden geleverd:

    een sleutel A-fig. 1 en twee sleu-tels B.

    De sleutel A met bordeauxrodehandgreep, waarvan u n exemplaarhebt ontvangen, is de hoofdsleutel.Deze sleutel is onmisbaar voor deFiat-dealer omdat hij dient voor hetopslaan van de codes van de anderesleutels B bij verlies of beschadiging.Deze sleutel is ook onmisbaar voorhet aanvragen van duplicaatsleutels.Wijraden u aan de sleutel op een veiligeplaats te bewaren (niet in de auto) enalleen in uitzonderlijke gevallen te ge-bruiken.

    Bij verlies van de hoofdsleutel ishet niet meer mogelijk werk-zaamheden aan de Fiat CODE ende regeleenheid van de motor (ofinspuitpomp bij uitvoeringen metdieselmotor) uit te voeren.

    Sleutel B, waarvan u twee exempla-ren hebt ontvangen, is voor het nor-male gebruik en dient voor:

    het starten

    de voorportieren

    de zijschuifdeuren

    de achterdeur

    de dop van de brandstoftank.

    Samen met de sleutels hebt u eenCODE-card fig. 2 ontvangen waaropstaat aangegeven:

    A - de elektronische code voor hetuitvoeren van een noodstart (zieNoodstart in het hoofdstukNoodgevallen)

    fig. 1

    P3P

    0023

    1

    fig. 2

    P3P

    0023

    2

    9

  • 10

    B - de mechanische code van desleutels die bij aanvraag van duplicaat-sleutels aan de Fiat-dealer moetworden overhandigd.

    C - vakjes voor het aanbrengen vaneventuele codestickers.

    De CODE-card en de sleutel metbordeauxrode handgreep moeten opeen veilige plaats worden opgeborgen.

    Wij raden u aan de elektronische code van de CODE-card altijd bij u tehebben omdat deze onmisbaar is voorhet uitvoeren van een noodstart.

    DUPLICAATSLEUTELS

    Bedenk dat bij aanvraag van extrasleutels, zowel de nieuwe sleutels alsde reeds in uw bezit zijnde sleutelsopnieuw in het geheugen (tot eenmaximum van 7 sleutels) moeten wor-den ingevoerd.Wendt u met de bor-deauxrode sleutel, alle overige sleutelsen de CODE-card tot de Fiat-dealer.

    Als tijdens het opslaan van eennieuwe sleutelcode de reeds op-geslagen sleutelcodes niet op-nieuw worden ingevoerd,wordenze uit het geheugen gewist,zodateventueel verloren sleutels nietmeer gebruikt kunnen wordenvoor het starten van de motor.

    WERKING

    Iedere keer als u de contactsleutel instand STOP of PARK uitneemt,schakelt het beveiligingssysteem destartblokkering in.

    Draai bij het starten van de motor decontactsleutel in stand MAR.

    1) Als de code wordt herkend, gaathet lampje - fig. 3 op het instru-mentenpaneel kort knipperen;het be-veiligingssysteem heeft de door desleutel gezonden code herkend en destartblokkering wordt opgeheven.Draai de sleutel in stand AVV om demotor te starten.

    2) Als het controlelampje blijftbranden,wordt de code niet herkend.In dat geval raden wij u aan de sleutelin stand STOP en vervolgens in MARte draaien; als de motor geblokkeerdblijft,probeer het dan opnieuw met deandere geleverde sleutels.Als de auto wordt ver-

    kocht, moet de sleutelmet de bordeauxrode

    handgreep (naast de andere sleu-tels) en de CODE-card aan denieuwe eigenaar worden over-handigd.

  • 11

    Als de motor nog niet aanslaat,dient u contact op te nemen metde Fiat-dealer.

    Tijdens het rijden met de contact-sleutel in stand MAR:

    1) Als het controlelampje gaatbranden, betekent dit dat het systeemzichzelf controleert (bijv. bij een ver-mindering van de spanning).Als u hetsysteem wilt controleren moet u deauto stilzetten, de motor afzetten ende contactsleutel in stand STOP envervolgens opnieuw in stand MARdraaien: het controlelampje gaatbranden en moet na ongeveer 1 se-conde doven.Als het controlelampjeblijft branden,dan moet de gehele pro-cedure herhaald worden, waarbij decontactsleutel ten minste 30 secondenin stand STOP moet blijven.Als hetcontrolelampje blijft branden, dient ucontact op te nemen met de Fiat-dealer

    2) Als het lampje knippert, be-tekent dit dat de auto niet wordt be-veiligd door de startblokkering.Neemonmiddellijk contact op met een Fiat-dealer om alle sleutels in het geheu-gen te laten opslaan.

    BELANGRIJK Bij krachtige stotenkunnen de elektronische componen-ten in de sleutel beschadigd worden.

    BELANGRIJK Elke sleutel heefteen eigen code die verschillend is vanalle andere codes. Deze code moetworden opgeslagen in de regeleenheidvan het systeem.

    START-/CONTACTSLOTDe sleutel kan in 4 standen worden

    gedraaid fig. 4

    STOP: motor uit, sleutel uitneem-baar, stuurslot geblokkeerd.

    MAR: contact aan.Alle elektrischeinstallaties werken.

    AVV: starten van de motor.

    PARK: motor uit,parkeerverlichtingaan, sleutel uitneembaar, stuurslot ge-blokkeerd.Druk om de sleutel in standPARK te kunnen draaien,op knop A.

    fig. 3P

    3P00

    441

    fig. 4

    P3P

    0037

    3

  • Verwijder de sleutel al-tijd uit het start-/contact-slot als u de auto verlaat,

    om onvoorzichtig gebruik van debedieningsknoppen te voorko-men.Vergeet de auto niet op dehandrem te zetten. Schakel deeerste versnelling in als de autoop een helling omhoog staat;schakel hem in zijn achteruit alshij op een helling omlaag staat.Laat kinderen nooit alleen achterin de auto.

    12

    Verstel de stoelen alleenals de auto stilstaat.

    Verwijder de sleutelnooit uit het contactslotals de auto nog in bewe-

    ging is. Bij de eerste stuuruitslagblokkeert het stuur automatisch.Dit geldt in alle gevallen, ook alsde auto gesleept wordt.

    Als het start-/contact-slot is geforceerd (bijv. bijeen poging tot diefstal)

    moet u, voordat u weer met deauto gaat rijden, de werking vanhet slot laten controleren bij eenFiat-dealer.

    STUURSLOT

    Inschakelen: zet de sleutel in standSTOP of PARK, trek de sleutel uithet start-/contactslot en draai hetstuur totdat het vergrendelt.

    Uitschakelen: draai het stuur ietsheen en weer, terwijl u de sleutel instand MAR draait.

    ZITPOSITIEINSTELLEN

    Zitplaatsen voor

    fig. 5

    P3P

    0043

    0

    Verstellen in lengterichting

    Trek hendel A-fig. 5 omhoog enschuif de stoel naar voren of naar ach-teren.

  • 13

    Hoogteverstelling (indien aanwezig)

    Trek hendel B-fig.6 omhoog om hetvoorste gedeelte van de zitting teverhogen.Trek hendel C omhoog omhet achterste gedeelte van de zitting teverhogen. Om de zitting te latenzakken, moet u de hendels naar bene-den drukken.

    BELANGRIJK De zitting kan alleenomhoog geplaatst worden als de stoelombelast is, en alleen omlaag geplaatstworden als u op de bestuurdersstoelzit.

    Verstellen van de rugleuning (indien aanwezig)

    Draai knop D-fig. 5.

    Verstellen van de rugleuningvan de passagiersstoelen(Panorama-uitvoering)

    Draai knop E-fig. 7.

    HOOFDSTEUNEN

    De stoelen zijn voorzien van vastehoofdsteunen fig. 8 om de juiste on-dersteuning te bieden aan volwasseninzittenden ongeacht het postuur.

    fig. 6

    P3P

    0040

    3

    fig. 7P

    3P00

    224

    fig. 8

    P3P

    0020

    8

    Laat de hendel los encontroleer of de stoelgoed geblokkeerd is door

    naar voren en naar achteren teschuiven.Als de stoel niet goed geblok-

    keerd is, kan deze onverwachtsverschuiven waardoor een ge-vaarlijke situatie kan ontstaan.

  • 14

    BINNENSPIEGEL (indien van toepassing)

    De binnenspiegel is verstelbaar methendel A-fig.9.

    1 - normale stand

    2 - anti-verblindingsstand.

    De spiegel is uitgerust met een veilig-heidsvoorziening:de spiegel springt tij-dens een botsing los.

    BUITENSPIEGELS

    Handbediende verstelling:

    Bedien met de hand n van de tweespiegelglazen van spiegel A-fig. 10.

    Het spiegeloppervlakaan de onderkant van despiegel is parabolisch

    waardoor het blikveld wordt ver-groot. Dit heeft tot gevolg dat deomvang van de objecten die menin de spiegel ziet, kleiner lijken.Hierdoor kan de indruk ontstaandat deze objecten verder verwij-derd zijn dan in werkelijkheid.

    Als de breedte van despiegels in een nauwedoorgang problemen

    oplevert, dan kunnen de spiegelsvan stand 1 in stand 2 wordengeklapt.

    fig. 9

    P3P

    0043

    6

    fig. 10P

    3P00

    439

    spiegel rechts

    spiegel links

    groothoekspiegel rechts

    groothoekspiegel links

    Nadat u de knop in een stand hebtgezet, kunt u de gekozen spiegel ver-stellen door de knop in de richting vande pijlen te bewegen.

    Elektrisch verstelbaar (indien aanwezig)

    De elektrische verstelling is alleenmogelijk als de contactsleutel in standMAR staat.

    U kunt de spiegel verstellen door knopB-fig. 11 in n van de vier standen tezetten:

    fig. 11

    P3P

    0048

    1

  • 15

    VEILIGHEIDS-GORDELS

    Gebruik van de veiligheids-gordels (een- of tweezitsbijrijdersbank in de cabine fig. 13 en zijzitplaatsen achterindien aanwezig)

    Trek de veiligheidsgordel geleidelijkuit.Als de oprolautomaat blokkeert,laat dan de gordel een stukje teruglo-pen en trek hem vervolgens weer ge-leidelijk uit.

    Veiligheidsgordel vastmaken:drukgesp C-fig. 12 in sluiting E totdat hijhoorbaar blokkeert.

    Veiligheidsgordel losmaken:drukop knop D.

    Begeleid de gordel tijdens het terug-lopen om te voorkomen dat de gor-delband draait.

    Deze gordels hoeft u niet met dehand af te stellen.

    Via de rolautomaat wordt de lengtevan de gordel automatisch aangepastaan het postuur van de drager,waarbijer voldoende bewegingsruimte over-blijft.Als de auto op een steile hellingstaat, kan de rolautomaat blokkeren;dit is een normaal verschijnsel.

    Bovendien blokkeert de rolautomaatals u de gordel snel uittrekt. Hijblokkeert ook bij hard remmen, bot-singen en bij hoge snelheden in boch-ten.

    Pas de hoogte van de geleidebeugelvan de veiligheidsgordels altijd aan hetpostuur van de inzittende aan. Zowordt de kans op letsel bij een onge-val verkleind.

    De gordel is goed afgesteld als hijover de schouder halverwege tussennek en uiteinde van de schouder ligt.

    fig. 12

    P3P

    0043

    1

    fig. 13P

    3P00

    432

    Voor maximale veilig-heid moet u de rugleu-ning rechtop zetten, te-

    gen de leuning aan gaan zitten ende gordel goed laten aansluitenop borst en bekken.

    De veiligheidsgordelsmogen alleen wordenversteld als de auto stil-

    staat.

    Hoogteverstelling van de veilig-heidsgordels:

  • 16

    Bedenk dat passagiersop de zitplaatsen achter(uitvoeringen Panorama,

    Combi en Dubbele Cabine) diegeen gordel dragen tijdens eenernstig ongeval, ook gevaar op-leveren voor de voorpassagiers.

    Omhoog

    Trek de geleidebeugel A-fig. 14omhoog in de gewenste stand. De ge-leidebeugel A kan in 5 standen wor-den gezet.

    Omlaag

    Druk op knop B-fig. 14 en schuif tegelijkertijd beugel A omlaag in degewenste stand.

    Controleer na het instellen altijd ofbeugel A goed vergrendeld is doorhem naar beneden te duwen zonderknop B in te drukken.

    Controleer na het in-stellen altijd of de beugelgoed vergrendeld is in

    n van de vaste punten.

    GEBRUIK VAN DE HEUP-GORDEL VAN DE ZIT-PLAATSEN IN HET MIDDEN(Zitplaatsen middenachter inde Panorama- en Combi-uitvoering)

    Gordel vastmaken: druk gesp A-fig.15 in sluiting B totdat hij hoorbaarblokkeert.

    Gordel losmaken: druk op knop C.

    Gordel afstellen: stel de gordel af metklem D.Trek aan deel E om de gor-del te verkorten en aan deel F om teverlengen.

    BELANGRIJK De gordel is correctafgesteld als hij goed aansluit op hetbekken.

    fig. 14

    P3P

    0043

    3

    fig. 15P

    3P00

    351

  • 17

    Algemene opmerkingen overhet gebruik van de veiligheids-gordels

    Draag altijd veiligheids-gordels zowel voorin alsachterin. Rijden zonder

    veiligheidsgordels vergroot het risico op ernstig letsel of dode-lijke afloop bij een ongeval.

    De gordelband magnooit gedraaid zijn. Hetdiagonale gordelgedeelte

    moet via het midden van deschouder schuin over de borst lig-gen. Het horizontale gordelge-deelte moet over het bekken enniet over de buik liggen, zodatwordt voorkomen dat u tijdenseen botsing onder de gordel uit-schuift fig. 16. Draag geen voor-werpen (sieraden, gespen enz.)die een goed aansluiten van degordel op het lichaam van de pas-sagier verhinderen.

    De gebruikers van de auto dienen zich aan de wettelijke voorschriften tehouden van het land waarin zij met deauto rijden,wat betreft de verplichtin-gen met betrekking tot het gebruik vanveiligheidsgordels.

    Bedenk dat passagiersop de zitplaatsen achterdie geen gordel dragen

    tijdens een ernstig ongeval, ookgevaar opleveren voor de voor-passagiers.

    fig. 16P

    3P00

    202

    Gebruik de gordel nietvoor een kind dat bij eenvolwassene op schoot zit,

    waarbij de gordel beiden zoumoeten beschermen fig. 17.

    fig. 17

    P3P

    0023

    0

  • 18

    Ook vrouwen die in verwachting zijnmoeten een gordel dragen: ook voorhen (zowel voor de aanstaande moe-der als het kind) is de kans op letsel bijeen ernstig ongeval groter als ze geengordel dragen.

    Uiteraard moeten zwangere vrou-wen het onderste deel van de gordelmeer naar beneden omleggen, zodatde gordel onder de buik langs looptfig. 18.

    KINDEREN VEILIG VERVOERENVoor optimale bescherming bij een

    ongeval moeten alle inzittenden zit-tend reizen en beschermd wordendoor goedgekeurde veiligheidssyste-men.

    Dit geldt met name voor kinderen.

    Het hoofd van kleine kinderen is inverhouding met de rest van het li-chaam groter en zwaarder dan dat vanvolwassenen, terwijl spieren en bot-structuur nog niet volledig zijnontwikkeld. Daarom moeten kleinekinderen door andere systemen be-schermd worden dan door de veilig-heidsgordels.fig. 18

    P3P

    0035

    1

    fig. 19

    P3P

    0035

    2

    De resultaten van het onderzoek overde optimale bescherming van kleine kin-deren zijn opgenomen in de EuropeseECE/R44-voorschriften die wettelijkverplicht zijn. De systemen zijn onder-verdeeld in vier groepen fig. 19:

    Groep 0 gewicht: 0-10 kgGroep 1 gewicht: 9-18 kgGroep 2 gewicht: 15-25 kgGroep 3 gewicht: 22-36 kg

    Zoals u ziet is er een gedeeltelijkeoverlapping tussen de groepen;daaromzijn er in de handel systemen verkrijg-baar die geschikt zijn voor verschil-lende gewichtsgroepen.

    Alle systemen moeten zijn voorzienvan de typegoedkeuring en een goedvastgehecht plaatje met het controle-merk, dat absoluut niet mag wordenverwijderd.

  • In de figuur wordenslechts aanwijzingen ge-geven voor de montage.

    Houdt u bij de montage van hetkinderzitje strikt aan de instruc-ties. De fabrikant is verplichtdeze instructies bij te leveren.

    19

    Kinderen met een gewicht boven 36 kg of met een lengte van meer dan1,50 m worden,met betrekking tot deveiligheidssystemen, gelijkgesteld metvolwassenen en moeten dan ook nor-maal de veiligheidsgordels omleggen.

    In het Fiat Lineaccessori-programmazijn kinderzitjes opgenomen voor elkegewichtsgroep,die speciaal ontworpenen ontwikkeld zijn voor de Fiat-modellen.

    GROEP 0

    Babys tot 10 kg moeten in wiegjesworden vervoerd die achterstevorenzijn geplaatst, waardoor het achter-hoofd wordt gesteund en bij abruptesnelheidswisselingen de nek niet wordtbelast.

    Het wiegje moet door de veiligheids-gordel van de auto op zijn plaats wor-den gehouden,zoals is afgebeeld in fig.20, terwijl de baby beschermd moetworden door de gordels van hetwiegje zelf.

    GROEP 1

    Kinderen met een gewicht vanaf 9 kgmoeten worden vervoerd in kinder-zitjes met een kussen fig. 21 die naarvoren zijn gekeerd, waarbij de veilig-heidsgordel van de auto zowel hetkinderzitje als het kind op zijn plaatsmoet houden.

    fig. 20P

    3P00

    353

    fig. 21

    P3P

    0035

    4

    Wij raden u aan kinde-ren altijd op de zitplaat-sen achter te vervoeren

    omdat die plaatsen bij een on-geval de meeste beschermingbieden.

    In de figuur worden slechts aanwijzingen ge-geven voor de montage.

    Houdt u bij de montage van hetkinderzitje strikt aan de instruc-ties. De fabrikant is verplichtdeze instructies bij te leveren.

  • 20

    fig. 23

    P3P

    0035

    6

    Er bestaan kinderzitjesdie geschikt zijn voor degewichtsgroepen 0 en 1.

    Deze kinderzitjes kunnen wor-den bevestigd aan de veiligheids-gordels achter en hebben zelfgordels om het kind te bescher-men. Vanwege het gewicht kanhet gevaarlijk zijn als ze verkeerdworden gemonteerd,waarbij eenkussen tussen het kinderzitje ende veiligheidsgordels van de autowordt geplaatst.Houdt u voor demontage van het kinderzitje aande instructies.De fabrikant is ver-plicht deze instructies bij te leve-ren.

    GROEP 2

    Vanaf 15 kg kunnen kinderen directdoor de veiligheidsgordels van de autoworden beschermd.Kinderen moetenzo in de kinderzitjes worden geplaatst,dat het diagonale gordelgedeelteschuin over de borst en niet langs denek moet liggen. Het horizontale gor-delgedeelte moet over het bekken enniet over de buik van het kind liggenfig. 22.

    GROEP 3

    Vanaf 22 kg kunnen kinderen op eenkussen vervoerd worden fig. 23.

    De borstomvang is dan van dien aarddat de kinderen gewoon tegen de rug-leuning kunnen steunen en niet meerin een kinderzitje hoeven te wordenvervoerd.

    Kinderen die langer zijn dan 1,50 mkunnen net zoals volwassenen deveiligheidsgordels omleggen.

    fig. 22P

    3P00

    355

    In de figuur wordenslechts aanwijzingen ge-geven voor de montage.

    Houdt u bij de montage van hetkinderzitje strikt aan de instruc-ties. De fabrikant is verplichtdeze instructies bij te leveren.

  • 21

    Hieronder zijn de richtlijnenvoor een veilig vervoer van kin-deren aangegeven, waaraan u zich dient te houden.

    1) Plaats het kinderzitje bij voorkeurop n van de zitplaatsen achter om-dat deze plaatsen bij een ongeval demeeste bescherming bieden.

    2) In het figuur worden slechtsaanwijzingen gegeven voor de mon-tage.Houdt u bij de montage van hetkinderzitje strikt aan de instructies.Defabrikant is verplicht deze instructiesbij te leveren. Bewaar de instructies samen met de autopapieren en het in-structieboekje in de auto. Monteergeen gebruikte kinderzitjes waarvan degebruiksaanwijzingen ontbreken.

    3) Controleer of de gordels goed zijnvastgemaakt door aan de gordelbandte trekken.

    4) In elk kinderzitje kan slechts nkind vervoerd worden; vervoer nooittwee kinderen in n zitje.

    5) Controleer altijd of de gordel nietlangs de nek van het kind loopt.

    6) Zorg er tijdens de rit voor dat hetkind geen afwijkende houding aan-neemt of de gordels losmaakt.

    7) Vervoer kinderen nooit in uw armen,ook geen pasgeboren kinderen.Niemand is sterk genoeg om ze bij eenongeval vast te houden.

    8) Na een ongeval moet het zitjedoor een nieuw exemplaar wordenvervangen.

    HOE U DE VEILIGHEIDS-GORDELS IN OPTIMALESTAAT HOUDT

    1) Zorg dat de gordel goed uit-getrokken en niet gedraaid is; contro-leer ook of de oprolautomaat zonderhaperingen werkt.

    2) Vervang de gordels na een on-geval, ook al zijn ze ogenschijnlijk nietbeschadigd.

    3) U kunt de gordels met de handwassen met warm water en een neu-trale zeep. Knijp ze uit en laat ze in deschaduw drogen.Gebruik geen bijten-de, blekende of kleurende middelen.Vermijd het gebruik van alle chemischeproducten die het weefsel kunnen aan-tasten.

    4)Voorkom dat er vocht in de oprol-automaat komt; de werking van deoprolautomaten is alleen gegaran-deerd, als ze niet nat zijn geweest.

  • 22

    GORDELSPANNERSVoor een nog effectievere bescher-

    ming zijn bij de Ducato-uitvoeringenmet airbag de veiligheidsgordels van debestuurdersstoel en de buitenste pas-sagierszitplaats voorzien van gordel-spanners. Dit systeem wordt bij eenheftige botsing door een sensor inwerking gesteld en trekt de gordel enige centimeters aan.

    Op deze wijze worden de inzitten-den veel beter op hun plaats gehoudenen wordt de voorwaartse bewegingbeperkt.

    Het blokkeren van de veiligheids-gordel geeft aan dat de gordelspannerin werking is geweest;de gordel wordtniet meer opgerold, ook niet als hijwordt begeleid.

    De gordelspanner behoeft geen enkelonderhoud of smering. Elke verande-ring van de oorspronkelijke staat zalde doelmatigheid verminderen.

    Als de gordelspanner door extremenatuurlijke omstandigheden (over-stromingen, zeestormen) met wateren modder in contact is geweest, danmoet hij worden vervangen.

    Voor een maximale beschermingdoor de gordelspanners moet deveiligheidsgordel zo worden omgelegddat hij goed aansluit op borst enbekken.

    De gordelspanner kanslechts n keer wordengebruikt. Als de gordel-

    spanner heeft gewerkt, moet uzich tot een Fiat-dealer wendenom de gordelspanner te latenvervangen. Het systeem heefteen geldigheid van 10 jaar vanafde productiedatum die op eensticker staat vermeld. Na dezeperiode moet de gordelspannerworden vervangen.

    Het is streng verboden degordelspanners open temaken en/of onderdelen

    te demonteren.Als er iets aan degordelspanners moet gebeuren,dient u contact op te nemen metde Fiat-dealer.

    Werkzaamheden waar-bij stoten, sterke trillingenof verhitting (maximaal

    100C gedurende ten hoogste 6 uur) optreden, kunnen degordelspanners beschadigen ofactiveren:bij die omstandighedenhoren niet trillingen die voortge-bracht worden door een slechtwegdek of door contacten metkleine obstakels zoals trottoirs.Als er iets aan de gordelspannersmoet gebeuren, dient u contactop te nemen met de Fiat-dealer.

  • DASHBOARD

    1 Schakelaarpaneel - 2 Luchtrooster - 3 Bedieningshendel richtingaanwijzers - 4 Bedieningshendel grootlicht - 5 Instrumen-tenpaneel - 6 Bedieningshendel ruitenwissers - 7 Schakelaar waarschuwingsknipperlichten - 8 Inbouwplaats luidspreker -9 Dashboardkastje/opbergvak - 10 Bedieningsknoppen verwarming en ventilatie - 11 Aansteker - 12 Inbouwplaats autoradio- 13 Asbak - 14Versnellingshendel - 15 Controle-/waarschuwingslampjes - 16 Claxon - 17 Hendel voor ontgrendelen motor-kap - 18 Hendel voor verstellen buitenspiegels - 19 Afstelling koplampen - 20 Bedieningsknop buitenverlichting en verlich-ting instrumentenpaneel

    23

    De aanwezigheid en de opstelling van de instrumenten en de controlelampjes kunnen per uitvoering verschillen.

    P3P00489fig. 24

  • De aanwezigheid en de opstelling van de instrumenten en de controlelampjes kunnen per uitvoering verschillen.

    1 Luchtrooster - 2 Schakelaar waarschuwingsknipperlichten - 3 Bedieningshendel richtingaanwijzers - 4 Bedieningshendel groot-licht - 5 Instrumentenpaneel - 6 Bedieningshendel ruitenwissers - 7 Schakelaarpaneel - 8 Hendel voor verstellen buitenspiegels- 9 Inbouwplaats luidspreker - 10Afstelling koplampen - 11 Bedieningsknop buitenverlichting en verlichting instrumentenpaneel- 12 Hendel voor ontgrendelen motorkap - 13 Claxon - 14 Controle-/waarschuwingslampjes - 15 Versnellingshendel - 16 Asbak - 17 Inbouwplaats autoradio - 18 Aansteker - 19 Bedieningsknoppen verwarming en ventilatie - 20 Dashboard-kastje/opbergvak

    24

    P3P00484fig. 25

  • INSTRUMENTENPANEEL

    UITVOERING STUUR LINKS

    A - Brandstofmeter

    B - Koelvloeistoftemperatuurmeter

    C - Snelheidsmeter en kilometer-teller

    25

    fig. 26 P3P00479

    fig. 27 P3P00480

    UITVOERING STUURRECHTS

    A - Brandstofmeter

    B - Koelvloeistoftemperatuurmeter

    C - Snelheidsmeter en mijlteller

  • 26

    UITVOERING STUUR LINKS

    A - Brandstofmeter

    B - Koelvloeistoftemperatuurmeter

    C - Snelheidsmeter en kilometer-teller

    D - Toerenteller

    fig. 28 P3P00487

    fig. 29 P3P00488

    UITVOERING STUURRECHTS

    A - Brandstofmeter

    B - Koelvloeistoftemperatuurmeter

    C - Snelheidsmeter en mijlenteller

    D - Toerenteller

  • BRANDSTOFMETER

    Het waarschuwingslampje A-fig. 32gaat branden als er nog 8 tot 10 literbrandstof in de tank aanwezig is.

    Rijd nooit met een bijna lege tank:door een onregelmatige brandstof-toevoer kan de katalysator beschadi-gen.

    fig. 31P

    3P00

    445

    fig. 32

    P3P

    0040

    6

    INSTRUMENTEN

    SNELHEIDSMETER KILOMETERTELLER fig. 30

    A - Snelheidsmeter.

    B - Totaal kilometerteller.

    C - Dagteller.

    D - Druktoets voor het op nul zet-ten van de dagteller. Indrukken voorhet op nul zetten.

    SNELHEIDSMETERMIJLENTELLER fig. 31

    A - Snelheidsmeter.

    B - Totaal mijlteller.

    C - Dagteller.

    D - Druktoets voor het op nul zet-ten van de dagteller. Indrukken voorhet op nul zetten.

    fig. 30

    P3P

    0040

    5

    27

  • ACCU WORDT NIET VOLDOENDEopgeladen (rood)

    Als er een defect is in het laadcircuitvan de dynamo.Als u de contactsleutelin stand MAR draait, gaat het lampjebranden. Het moet doven nadat demotor is gestart.

    Als de motor stationair draait, kanhet voorkomen dat het lampje iets later dooft.

    Neem onmiddellijk contact op metde Fiat-dealer om te voorkomen datde accu ontlaadt.

    w

    KOELVLOEISTOFTEMPE-RATUURMETER fig. 33

    Onder normale omstandighedenstaat de wijzernaald van de koelvloei-stoftemperatuurmeter ongeveer in hetmidden van de schaal.

    Als de wijzernaald in het rode gebiedkomt,betekent dit dat de motor over-belast wordt en dat er gas moet wor-den teruggenomen.

    De wijzernaald kan ook in het rodegebied komen, terwijl u met hogebuitentemperaturen langzaam rijdt.Het is in dat geval raadzaam te stop-pen en de motor uit te zetten. Startvervolgens opnieuw en trap het gas-pedaal iets in.

    Zet de motor uit als hetlampje ondanks de ge-nomen maatregelen blijft

    branden, en neem contact opmet de Fiat-dealer.

    TOERENTELLER fig. 34

    BELANGRIJK De regeleenheid vande elektronische inspuiting blokkeerttijdelijk de toevoer van brandstof alsde motor met te hoge toerentallendraait,waardoor het motorvermogenzal afnemen.

    CONTROLE- EN WAARSCHU-WINGSLAMPJESDe lampjes branden in de volgende

    gevallen:

    28

    fig. 34P

    3P00

    468

    fig. 33

    P3P

    0040

    7

  • TE HOGE KOEL-VLOEISTOF-TEMPERATUUR

    (rood)

    Als de temperatuur van de koel-vloeistof de maximum waarde over-schrijdt.

    29

    TE LAGE MOTOR-OLIEDRUK (rood)

    Als de motoroliedruk on-der de normale waarde zakt.Als u decontactsleutel in stand MAR draait,gaat het lampje branden. Het moetdoven nadat de motor is gestart.

    Als de motor stationair draait, kanhet voorkomen dat het lampje iets la-ter dooft.Als de motor zwaar belastis, kan het lampje gaan knipperen alsde motor stationair draait. Het moetdoven zodra u iets gas geeft.

    vSTORING IN INSPUITSYSTEEM(rood)

    Als er een storing is in het inspuit-systeem.

    Als u de contactsleutel in stand MARdraait,gaat het lampje branden.Na enke-le seconden moet het lampje doven.

    Als het lampje constant blijft brandenof als het lampje tijdens het rijden gaatbranden,dan werkt het inspuitsysteemniet correct, waardoor de prestatieskunnen verminderen, de auto slechtrijdt en veel brandstof verbruikt.

    U kunt onder deze omstandighedendoorrijden zonder te veel van demotor te eisen of met hoge snelheidte rijden. Neem zo snel mogelijk con-tact op met de Fiat-dealer.

    Als u te lang doorrijdt met een bran-dend waarschuwingslampje kan datschade veroorzaken, vooral als demotor onregelmatig draait of over-slaat.Rijd slechts korte tijd en met eenlaag toerental.

    Als het lampje onregelmatig en kortbrandt, duidt dit niet op een storing.

    Als het lampje gaatbranden tijdens het rij-den, moet de motor wor-

    den uitgezet en dient u contactop te nemen met de Fiat-dealer.

    u

    FIAT CODE (geel) In drie gevallen (met de con-tactsleutel in stand MAR):

    1. En maal knipperen - code van desleutel herkend. Het is mogelijk demotor te starten.

    2.Constant branden - code van desleutel niet herkend. Voer voor hetstarten van de motor een noodstartuit (zie hoofdstuk Noodgevallen).

    3. Knipperend - de auto wordt nietbeveiligd door het systeem.Het is mo-gelijk de motor te starten.

    g

  • 30

    MISTACHTER-LICHTEN (geel)

    Als de mistachterlichtenzijn ingeschakeld.

    NIVEAU VAN DEKOELVLOEISTOF (rood) (indien aanwezig)

    Als het niveau van de koelvloeistof inde radiateur onder de minimum waar-de is gedaald.

    STORING AIRBAG (rood)(indien van toepassing)

    Als het systeem niet goed werkt.

    Als u de contactsleutelin stand MAR draait, gaathet lampje branden. Het

    moet na ongeveer 4 secondendoven. Als het waarschuwings-lampje niet gaat branden, con-stant blijft branden of als het gaatbranden tijdens het rijden, moetu onmiddellijk stoppen en con-tact opnemen met de Fiat-dealer.

    4

    WAARSCHUWINGREMSYSTEEM (rood)

    In vier gevallen:

    1 als de handrem is aangetrokken

    2 als het remvloeistofniveau onderhet minimum is gedaald

    3 als de remblokken versleten zijn.

    4 tegelijkertijd met het lampje >om een storing aan te geven in de elek-tronische remdrukverdeling EBD.

    x

    Als het lampje x tijdenshet rijden gaat branden,controleer dan of de

    handrem niet is aangetrokken.Als het lampje blijft branden ende handrem is niet aangetrokken,moet u onmiddellijk stoppen encontact opnemen met de Fiat-dealer.

    n

    WATER INDIESELFILTER(geel)

    (dieseluitvoeringen)

    Als er water in het dieselfilter zit.Alsu de contactsleutel in stand MARdraait, gaat het lampje branden. Naenkele seconden moet het lampjedoven.

    c

    De aanwezigheid vanwater in de dieselbrand-stof kan ernstige schade

    aan het brandstofsysteem van demotor veroorzaken.Wendt u zosnel mogelijk tot een Fiat-dealerals het lampje gaat branden.

  • 31

    STORING IN ANTI-BLOKKEER-SYSTEEM (ABS)

    (geel)

    Als het ABS niet goed werkt. Hetconventionele remsysteem blijft wer-ken.Neem echter zo spoedig mogelijkcontact op met de Fiat-dealer.

    Als u de contactsleutel in standMAR draait, gaat het lampje branden.Na ongeveer twee seconden moet hetlampje doven.

    Als bij een draaiendemotor alleen het waar-schuwingslampje > gaat

    branden, dan is er een storing inhet ABS-systeem. In dat gevalwerkt het conventionele remsys-teem op de normale manier,terwijl geen gebruik wordt ge-maakt van het anti-blokkeersys-teem. Onder deze omstandig-heden kan ook de werking vanhet EBD-systeem verminderen.Ook in dit geval raden wij u aanonmiddellijk en zeer voorzichtignaar de dichtstbijzijnde Fiat-dealer te rijden, om het systeemte laten controleren.

    RICHTING-AANWIJZERS(knipperend) (groen)

    Als u de hendel van de richting-aanwijzers bedient.

    >

    De auto is uitgerust meteen elektronische rem-drukverdeling (EBD).Als

    bij een draaiende motor te-gelijkertijd de waarschuwings-lampjes > en x gaan branden,dan is er een storing in het EBD-systeem; in dat geval kunnen bijhard remmen de achterwielenvroegtijdig blokkeren waardoorde auto kan gaan slippen. Rijdzeer voorzichtig naar de dichtst-bijzijnde Fiat-dealer om het sys-teem te laten controleren.

    BUITEN-VERLICHTING(groen)

    Als de buitenverlichting en het dimlichtzijn ingeschakeld.

    VOORGLOEI-INSTALLATIE (geel)(diesel-uitvoeringen)

    Als u de contactsleutel in stand MARdraait. Het lampje dooft als de voor-gloeibougies de juiste temperatuurhebben bereikt.

    m

    GROOTLICHT (blauw)

    Als het grootlicht is inge-schakeld.

    y

    3

    1

  • 32

    VERWARMING EN VENTILATIE

    A - Luchtrooster voor ontwasemenof ontdooien van de voorruit.

    B - Vast luchtrooster voor ontwase-men of ontdooien van de zijruitenvoor.

    C - Verstelbaar luchtrooster zijkant.

    D - Verstelbaar luchtrooster in hetmidden.

    E - Uitstroomopening in het middenonder het dashboard voor luchttoe-voer naar de beenruimte van de inzit-tenden voor.

    fig. 35

    P3P00485

  • 33

    VERSTELBARE EN REGEL-BARE LUCHTROOSTERS fig. 36 en fig. 37

    A - Draaiknop voor het regelen vande luchtopbrengst:

    in stand = luchtrooster open

    in stand = luchtrooster dicht

    B - regelschuif voor het richten vande luchtstroom.

    C - vast luchtrooster voor zijruiten.

    De roosters kunnen naar boven ennaar beneden gekanteld worden.

    BEDIENINGSKNOPPEN fig. 38

    A - Draaiknop voor inschakeling vande aanjager.

    B - Draaiknop voor regeling van deluchttemperatuur (menging van war-me/koude lucht).

    C - Draaiknop voor de luchtverde-ling.

    D - Schuif om het recirculatiesys-teem in te schakelen, waarbij er geenlucht van buiten binnenkomt.

    Panorama-uitvoeringen: er kun-nen twee extra kachels zijn gemon-teerd; n standaard en n als optio-nal.

    Combi-uitvoeringen: de enkeleextra kachel is als optional leverbaar.

    Druk voor het inschakelen op toets G-fig. 39.

    Druk nogmaals op de toets voor hetuitschakelen.

    fig. 36

    P3P

    0043

    5

    fig. 37P

    3P00

    434

    fig. 39

    P3P

    0047

    0

    fig. 38

    P3P

    0046

    9

  • 34

    VERWARMING

    Standen voor een snelle verwarming.

    1) Draaiknop voor de luchttempe-ratuur: in het rode vlak.

    2) Draaiknop voor de aanjager:schakel de gewenste snelheid in.

    3) Draaiknop voor de luchtverdelingin stand:

    - bij lage buitentemperatuur ofvoor een grote luchttoevoer voorontwaseming

    O voor normale verwarming

    M voor verwarming van de been-ruimte,waarbij de luchtstroom op hetgelaat koel blijft (bilevel-stand)

    N voor verwarming van de been-ruimte van de inzittenden voor

    Q bij niet extreem lage buiten-temperatuur en ontwaseming

    ONTWASEMING EN/OFONTDOOIING VAN DE VOORRUIT EN ZIJRUITENVOOR

    Standen voor een snelle ontwase-ming.

    1) Draaiknop voor de luchttempe-ratuur: in het rode vlak.

    2) Draaiknop voor de aanjager:schakel de maximale snelheid in.

    3) Draaiknop voor de luchtverdeling:in stand -.

    Nadat de ruiten ontwasemd zijn,kaneen stand gekozen worden waarbij hetzicht optimaal blijft.

    BELANGRIJK Als de auto is uitge-rust met airconditioning, wordt hetontwasemen van de ruiten versnelddoor naast de bovengenoemde instel-lingen ook knop in te drukken.

    ONTWASEMING EN/OFONTDOOIING VAN DEACHTERRUITEN

    Druk op knop (.

    Zodra de achterruiten ontwasemdzijn, is het raadzaam de verwarmingweer uit te schakelen.

    VENTILATIE

    Standen voor ventilatie.

    1) Zij- en middenroosters: geheelopen.

    2) Draaiknop voor de luchttempe-ratuur: in het blauwe vlak.

    3) Schuif voor de luchtrecirculatie: instand .

    4) Draaiknop voor de aanjager:schakel de gewenste snelheid in.

    5) Draaiknop voor de luchtverdeling:in stand O.

  • 35

    RECIRCULATIE

    Als u de schuif voor de recirculatie instand zet, circuleert alleen de lucht in het interieur.

    BELANGRIJK Dit systeem is voor-al bruikbaar bij geconcentreerde lucht-vervuiling (in de file, in tunnels, enz.).Het is niet raadzaam dit systeem lang-durig te laten werken,vooral niet als umet meer personen in de auto zit,om-dat dan de ruiten kunnen beslaan.

    BELANGRIJK

    Uitsluitend bij de uitvoering met 2.8JTD-motor is de functie van de schuifomgekeerd:

    aan de rechterkant stand luchtrecirculatie;

    aan de linkerkant stand lucht-toevoer van buiten.

    AIRCONDI-TIONING (indienaanwezig)BEDIENINGSKNOPPEN fig. 40

    A - Draaiknop voor inschakeling vande aanjager.

    B - Draaiknop voor regeling van deluchttemperatuur (menging van war-me/koude lucht).

    C - Draaiknop voor de luchtverde-ling.

    D - Schuif om het recirculatiesys-teem in te schakelen, waarbij er geenlucht van buiten binnenkomt.

    BELANGRIJK De lucht in het in-terieur koelt sneller af als bij zomer-se temperaturen de luchtrecirculatiewordt ingeschakeld.Ook is dit systeembruikbaar bij geconcentreerde lucht-vervuiling (in de file, in tunnels enz.).Het is niet raadzaam dit systeem lang-durig te laten werken,vooral niet als umet meer personen in de auto zit.

    E - Schakelaar voor in-/uitschakelingvan de airconditioning.

    De Panorama- en Combi-uitvoeringzijn voorzien van een airconditioningdie bestaat uit een hoofd-airconditio-ning en een extra airconditioning (alsoptional).

    fig. 40P

    3P00

    471

  • 36

    Voor het inschakelen van de extra air-conditioning moet draaiknop F-fig. 41,op het kanaal onder het dak, bediendworden. Deze werkt alleen als de hoofd-airconditioning is ingeschakeld.

    AIRCONDITIONING(KOELING)

    Standen voor een snelle koeling:

    1) Draaiknop voor de luchttempe-ratuur: in het blauwe vlak.

    2) Airconditioning: druk op deschakelaar

    3) - Schuif om het recirculatiesys-teem in te schakelen in stand .

    4) Draaiknop voor de luchtverdeling:in stand O.

    5) Draaiknop voor de aanjager:schakel de gewenste snelheid in.

    Voor een gematigde koeling: zet deschuif in stand , verhoog de tem-peratuur en verlaag de snelheid van deaanjager.

    Schakel de airconditioning niet in tij-dens het verwarmen en ventileren,maar gebruik daarvoor de basis-func-ties van het verwarmings- en ventila-tiesysteem (zie voorgaande hoofd-stuk).

    BELANGRIJK De airconditioningkan goed gebruikt worden om de ruiten sneller te ontwasemen, omdatde lucht droger wordt. Zet hiervoorde bedieningsknoppen op ontwase-men en schakel de airconditioning indoor de schakelaar in te drukken.

    Het systeem gebruikthet milieuvriendelijkekoelmiddel R134a. Bij

    lekkage is dit middel niet schade-lijk voor het milieu. Gebruik ingeen geval het middel R12,omdatdit middel de componenten vanhet systeem beschadigt.

    fig. 41

    P3P

    0057

    4

  • 37

    EXTRA VERWAR-MING (indienaanwezig)De extra verwarming werkt volledig

    onafhankelijk van de werking van demotor en zorgt ervoor dat:

    het interieur van de auto wordt op-gewarmd als de motor uit staat;

    de ruiten worden ontdooid;

    de koelvloeistof van de motor endus de motor zelf voor het startenwordt opgewarmd.

    Het systeem bestaat uit:

    een kachel voor het verwarmenvan het water,met een geluidgedemp-te uitlaat;

    een doseerpomp verbonden metde brandstofleidingen van de autovoor brandstoftoevoer naar de kachel;

    een warmtewisselaar verbondenmet de slangen van het koelsysteemvan de motor;

    een regeleenheid verbonden methet verwarmings-/ventilatiesysteem

    van het interieur, die de automatischewerking ervan mogelijk maakt;

    een elektronische regeleenheidvoor controle en regeling van de in deverwarming gentegreerde brander;

    een digitale timer voor het hand-matig inschakelen van de verwarmingof om het inschakeltijdstip te pro-grammeren.

    De extra verwarming werkt (tijdenshet koude seizoen) volledig automa-tisch, verwarmt het interieur, houdthet op temperatuur en laat geduren-de een vastgestelde tijd de koelvloei-stof van de motor circuleren. Bij hetstarten van de motor bent u zo ver-zekerd van een optimale temperatuurvan de motor en van het interieur.

    De extra verwarming kan automa-tisch worden geprogrammeerd metbehulp van de digitale timer of hand-matig door op de toets directeverwarming van de timer te drukken.

    Nadat de verwarming hetzij hand-matig hetzij automatisch is geactiveerd,schakelt de elektronische regeleenheidde circulatiepomp in en wordt de

    brander ontstoken op een vastgestel-de en gecontroleerde manier.

    De opbrengst van de circulatiepompwordt ook gecontroleerd door deelektronische regeleenheid, zodat deopwarmperiode tot een minimum be-perkt blijft.Als de vloeistof een tem-peratuur bereikt van 30C,schakelt deregeleenheid de aanjager in van hetverwarmingssysteem in het interieur.

    Als de temperatuur 72C bereikt,vermindert de elektronische regel-eenheid het vermogen van de kachel.Als de temperatuur 76,5 C bereikt,wordt de werking onderbroken maarblijft het systeem ingeschakeld. Daar-naast geeft de timer aan dat het sys-teem in werking is en blijven de cir-culatiepomp en de aanjager van hetverwarmingssysteem in het interieuringeschakeld.Als de vloeistoftempera-tuur onder 71C daalt, schakelt deregeleenheid automatisch de branderweer in.

  • 38

    BELANGRIJK De extra verwar-ming is uitgerust met een thermischebeveiliging die de brander uitschakeltbij oververhitting door te weinig oflekkende koelvloeistof.Als dit het ge-val is moet na het repareren van hetdefect in het koelsysteem en/of het bij-vullen van de koelvloeistof en voordatde verwarming weer wordt inge-schakeld, de programma-keuzetoetsworden ingedrukt.

    De verwarming kan spontaan uitgaandoor gebrek aan brandstof of als tij-dens de werking de vlam dooft.Voer indat geval de procedure uit voor hetuitschakelen en probeer de stand-verwarming weer in te schakelen; alsde verwarming dan nog niet werkt,dient u contact op te nemen met deFiat-dealer.

    Inschakelen van de verwarming

    Voordat de verwarming wordt inge-schakeld moet worden gecontroleerdof:

    de draaiknop voor het regelen vande luchttemperatuur in het interieurin de stand warme lucht staat;

    de draaiknop voor het regelen vande aanjagersnelheid in het interieur instand 2 staat.

    Digitale timer fig. 42

    1) Branderindicatie

    2) Displayverlichting

    3)Voorkeuzenummer

    4) Toets klokje

    5) Toets voor vooruitzetten tijd

    6) Programma-keuzetoets

    7) Toets voor terugzetten tijd

    8) Toets voor directe inschakelingverwarming

    9) Controlelampje voor het instel-len/aflezen van de tijd

    fig. 42

    P3P

    001W

  • 39

    Directe inschakeling van de verwarming fig. 43

    Druk op toets 8 van de timer als uhandmatig het systeem wilt inschake-len; het display en het controlelampje1 worden verlicht en blijven verlichtzolang het systeem in werking is.

    Geprogrammeerde inschakeling van de verwarming

    Voordat de inschakeling van het sys-teem wordt geprogrammeerd, moetde klok op tijd worden gezet.

    Instellen van de juiste tijd

    Druk op toets 4: het display en hetcontrolelampje 9-fig.44 schakelen danin.

    Druk binnen 10 seconden op toets5 of 7 totdat de juiste tijd is geselec-teerd.

    Als toets 5 of 7 ingedrukt wordtgehouden, verspringen de cijfers vanhet klokje sneller voor- of achteruit.

    Aflezen van de juiste tijd fig. 44

    Druk om de juiste tijd af te lezen optoets 4: de tijd verschijnt ongeveer 10seconden op het display en gelijktijdigwordt het controlelampje 9 verlicht.

    Programmeren van de inschakeltijd fig. 45

    De inschakeltijd kan van 1 minuut tot24 uur van te voren worden gepro-grammeerd. U kunt drie verschillen-de inschakeltijden kiezen, waarvan erechter slechts n kan worden geacti-veerd.

    Programmeren van de inschakeltijd:

    druk op toets 6:op het display wor-den het symbool 10 of de juist inge-stelde tijd en het nummer 3 van dedaarvoor ingestelde tijd 10 secondenverlicht;

    fig. 43

    P3P

    0002

    W

    fig. 44P

    3P00

    03W

    fig. 45

    P3P

    0004

    W

  • 40

    BELANGRIJK Als u de anderevooraf ingestelde tijden wilt oproepen,druk dan binnen 10 seconden n ofmeer keren op toets 6.

    druk binnen 10 seconden op toets5 of 7 totdat de gewenste inschakel-tijd is geselecteerd.

    BELANGRIJKAls de inschakeltijd vanhet display verdwijnt,het nummer 3 vande vooraf ingestelde tijd aanwezig is enhet display verlicht is,betekent dit dat detijd in het geheugen is opgeslagen.

    Uitschakelen van de geprogram-meerde inschakeltijd fig. 46

    Om de geprogrammeerde inschakel-tijd te wissen, moet kort op toets 6worden gedrukt: de verlichting van hetdisplay gaat uit en het nummer 3 vande vooraf ingestelde tijd verdwijnt.

    Oproepen van een van de geprogrammeerde inschakel-tijden fig. 46

    Druk een of meerdere keren optoets 6 totdat op het display het num-mer 3 verschijnt. Na 10 secondenverdwijnt de tijd van het display maarblijft in het geheugen opgeslagen enworden het nummer 3 en het displayverlicht.

    BELANGRIJK De geprogram-meerde inschakeltijd kan worden ver-anderd of gewist volgens de hiervoorbeschreven instructies.

    Uitschakelen van de verwarming

    Het systeem kan, afhankelijk van demanier waarop het is ingeschakeld (automatisch of handmatig) op tweemanieren worden uitgezet:

    automatisch, aan het eind van devastgestelde inschakeltijd (60 minutenmet rood verlicht display);

    handmatig, door opnieuw op deknop directe verwarming van de timer te drukken.

    In beide gevallen doven het contro-lelampje van de verwarming, de ver-lichting van het display, schakelt deaanjager van het verwarmingssysteemin het interieur uit en wordt de ver-branding onderbroken.

    De vloeistof-circulatiepomp blijft nogongeveer 2 minuten werken om degrootste warmte van de verwarmingaf te voeren; ook in deze fase is hetmogelijk de verwarming weer in teschakelen.

    fig. 46

    P3P

    0005

    W

    De extra verwarmingverbruikt, hoewel in ge-ringe mate, evenals de

    motor brandstof. Om mogelijkevergiftiging en verstikking tevoorkomen, mag de standver-warming nooit,ook niet voor eenkorte periode, worden inge-schakeld in een afgesloten ruimtezoals een garage of werkplaatsdie niet is uitgerust met een af-zuigsysteem voor uitlaatgassen.

  • 41

    Zet de extra verwarming altijd uittijdens het tanken van brandstof en inde nabijheid van tankstations ombrand- of explosiegevaar te voor-komen.

    Parkeer de auto niet boven brand-bare materialen zoals papier, gras ofdroge bladeren: brandgevaar!

    De temperatuur in de nabijheidvan de verwarming mag niet boven120C komen (na spuitwerkzaamhe-den kan de temperatuur van de car-rosserie in een moffeloven boven dezewaarde uitstijgen). Hogere tempera-turen kunnen de componenten van deelektronische regeleenheid beschadi-gen.

    Tijdens de werking bij een stil-staande motor verbruikt de verwar-ming elektrische energie van de accu;daarom is een goede werking van dedynamo bij draaiende motor nood-zakelijk om de accu weer voldoendeop te laden.

    Houdt u voor de controle van hetniveau van de koelvloeistof aan het-geen beschreven staat in dit instruc-tieboekje. Het water in het mo-torkoelsysteem moet minimaal 10%anti-vries bevatten.

    Wendt u voor onderhoud en repa-raties uitsluitend tot de Fiat-dealeren gebruik uitsluitend originele on-derdelen.

    ONDERHOUD

    Laat de extra verwarming regelmatig(in ieder geval voor het winterseizoen)controleren door de Fiat-dealer omverzekerd te zijn van een veilige eneconomische werking en een lange le-vensduur van de verwarming.

    HENDELS AANHET STUUR

    HENDEL LINKSONDER fig. 47

    Plaats de onderste linker hendel naarbeneden om het grootlicht in teschakelen.Op het instrumentenpaneelgaat het controlelampje 1 branden.

    Voor het grootlichtsignaal moet u dehendel naar het stuur trekken (standzonder vergrendeling).

    Het grootlicht werkt uitsluitend alsde contactsleutel in stand MAR staat,en als de lichtschakelaar reeds in stand2-fig. 53 staat.

    fig. 47

    P3P

    0055

    9

  • 42

    fig. 49

    P3P

    0021

    6

    HENDEL LINKSBOVEN fig. 48

    Met de hendel linksboven schakelt ude richtingaanwijzers (pijlen) in. De richtingaanwijzers werken uitsluitendals de contactsleutel in stand MARstaat.

    Plaats de hendel:

    naar boven - rechter richting-aanwijzer ingeschakeld;

    naar beneden - linker richting-aanwijzer ingeschakeld.

    Op het instrumentenpaneel gaat hetcontrolelampje y knipperen.

    De richtingaanwijzers schakelenautomatisch uit als de auto weerrechtuit rijdt.

    Als u kort richting aan wilt geven(bijv.bij het wisselen van rijbaan),drukde hendel dan iets naar boven of naarbeneden zonder dat de hendel ver-grendelt. Zodra u de hendel loslaat,gaat deze automatisch terug.

    HENDEL RECHTS fig. 49

    Ruitenwissers/-sproeiers

    Deze werken uitsluitend als de con-tactsleutel in stand MAR staat.

    Standen:

    A - ruitenwissers uitgeschakeld

    B - wissen met interval

    C - langzaam continu wissen

    D - snel continu wissen

    Als u de hendel vanuit n van destanden naar het stuur trekt, schakeltde ruitensproeier in.

    fig. 48

    P3P

    0021

    7

  • Het gebruik van dewaarschuwingsknipper-lichten is afhankelijk van

    de verkeersvoorschriften in hetland waarin u rijdt. U dient zichaan de voorschriften te houden.

    C - In-/uitschakeling koplampwis-/was-installatie.

    43

    CENTRAAL SCHAKELAAR-PANEEL fig. 51

    B - In-/uitschakeling waarschuwings-knipperlichten.

    Onafhankelijk van de stand van decontactsleutel, gaan door het in-drukken van de schakelaar alle rich-tingaanwijzers en de controlelampjesr en y knipperen.

    BEDIENINGS-KNOPPEN

    DRUKKNOPPEN fig. 50

    Een eerste schakelaarpaneel bevindtzich aan de linkerzijde van het instru-mentenpaneel.

    De drukknoppen werken uitsluitendals de contactsleutel in stand MARstaat.

    A - In-/uitschakeling mistlampen voor(indien aanwezig).

    C - In-/uitschakeling mistachter-lichten.

    D - In-/uitschakeling achterruit-verwarming.

    Panorama- en Combi-uitvoering fig. 52

    A - In-/uitschakeling verlichting pas-sagiersruimte.

    B - In-/uitschakeling waarschuwings-knipperlichten.

    C - In-/uitschakeling koplampwis-/was-installatie.

    fig. 50

    P3P

    0041

    5

    fig. 51P

    3P00

    414

    fig. 52

    P3P

    0044

    6

  • 44

    Als u na een ongeval eenbrandstoflucht ruikt ofmerkt dat het brandstof-

    systeem lekt,druk dan de schake-laar niet weer terug, zodat brandwordt voorkomen.

    DRAAIKNOP VOORINSCHAKELINGVERLICHTING fig. 53

    Zet voor het inschakelen van debuitenverlichting de draaiknop op:

    3 om de buitenverlichting (stads-licht) in te schakelen

    2 om de dimlichten in te schakelen

    0 verlichting uitgeschakeld

    BRANDSTOF-NOODSCHAKE-LAARDeze veiligheidsschakelaar is in de

    motorruimte op het schutbord ge-plaatst fig. 54 en springt omhoog bijeen ongeval,waardoor de toevoer vanbrandstof wordt gestopt en de motorafslaat.

    Draai de contactsleutel in standSTOP om te voorkomen dat de accuontlaadt.

    fig. 54P

    3P00

    350

    fig. 53

    P3P

    0048

    3

    Als u geen brandstoflekkage waar-neemt en de auto kan nog verder rij-den,druk dan op knop A-fig.54 zoalsop de afbeelding is aangegeven,om debrandstoftoevoer weer te herstellen.

  • 45

    Open de tachograaf al-leen als de auto stilstaat.Zie voor de beschrijving

    van de werking van de tachograafde documentatie die bij het ap-paraat geleverd wordt.

    Bij de documentatie die bij de autowordt geleverd,ontvangt u ook de ge-bruiksaanwijzing van de tachograaf in-clusief schijven en sleutels voor hetopenen fig. 56; raadpleeg de gebruiks-aanwijzing voor het gebruik.

    Ten minste iedere zes jaar moet denauwkeurigheid worden geijkt. Inenkele landen zijn deze limieten veelstrikter.

    TACHOGRAAF (indien aanwezig)

    zeven cijfers voor het totaal aantalkilometers;

    elektronische beveiliging bij te hogespanning en van het ingangssignaal; opde diagramschijf worden eventuelestoringen aangegeven.

    nachtverlichting;alle cijfers,de scha-len en de wijzers worden verlicht.

    De bezitter van de auto waarop detachograaf is genstalleerd,moet het in-strument regelmatig laten keuren.Hetsysteem moet ten minste iedere tweejaar gekeurd en getest worden op dejuiste werking.

    fig. 55P

    3P00

    412

    fig. 56

    P3P

    0041

    3

    BELANGRIJK Iedere veranderingaan het controle-instrument of aan hetsignaaloverbrengingssysteem die in-vloed heeft op de registratie door hetcontrole-instrument, vooral als dit be-doeld is om te frauderen,kan strafbaarzijn.

    BESCHRIJVING SYSTEEM

    Met de tachograaf fig.55 kunnen dewettelijke normen worden nagekomendie gelden voor de rijtijden van de be-stuurder.

    Hieronder staan enkele kenmerkenvan het apparaat vermeld:

    automatische registratie op deschijf van de snelheid, de afstand, deverschillende rijtijden en andere infor-matie zoals:motortoerental en brand-stofverbruik;

  • 46

    fig. 60

    P3P

    0042

    2

    INTERIEUR-UITRUSTING

    DASHBOARDKASTJE/OPBERGVAK

    Om het kastje te openen, moet u detwee drukknoppen fig. 57 tegelijk in-drukken.

    In de klep zitten uitsparingen om eenpen en potlood in te leggen. Als deauto stilstaat kunt u er ook bekers enblikjes in plaatsen.

    In het dashboardkastje bevindt zichhet zekeringenkastje.

    Rijd niet met een ge-opend dashboardkastje:dit kan de inzittende voor

    verwonden bij een ongeval.

    fig. 57

    P3P

    0044

    7

    fig. 58

    P3P

    0041

    0

    Opbergvak

    Naast de bestuurdersstoel fig. 58bevindt zich een opbergvak voor documenten en kleine voorwerpen.

    Bij uitvoeringen met een tweezits bij-rijdersbank bevindt zich onder de bij-rijdersbank eveneens een opbergvakfig. 59.

    In de portierpanelen bevinden zichbovendien opbergvakken en flessen-houders.

    INTERIEURVERLICHTING

    De lampjes gaan automatisch bran-den als u n van de voorportierenopent.

    fig. 59P

    3P00

    409

  • 47

    ASBAK EN AANSTEKERU gebruikt deze als volgt:1) trek de asbak voor gebruik naar

    buiten A-fig. 63.2) druk op knop B om de aansteker

    in te schakelen; na ongeveer 15 se-conden springt de knop automatischterug en is de aansteker gereed voorgebruik.3) druk om de asbak uit te nemen op

    lipje C en trek de asbak in de richtingvan de pijl.

    fig. 63

    P3P

    0024

    5

    Bij gesloten of geopende portierenkunt u beide lampjes uitschakelen doorop knop A-fig. 60 te drukken.

    Om alleen het rechter lampje in teschakelen, moet u op knop Cdrukken. Om alleen het linker lampjein te schakelen, moet u op knop Bdrukken.

    In de laadruimte bevindt zich boven deachterdeur een tweede plafondverlich-ting.

    U kunt dit lampje inschakelen doorop de korte zijde van het lampenglaste drukken,zoals aangegeven in fig. 61.

    DIGITAAL KLOKJE fig. 62

    Het display geeft 24 uur aan.

    De lichtsterkte van de cijfers wordtter verbetering van de leesbaarheidautomatisch verhoogd als u de buiten-verlichting inschakelt.

    Uren afstellen: druk op knop A.

    Minuten afstellen: druk op knop B.

    Elke keer als u het knopje indrukt,verspringt het klokje een eenheid.

    Als u het knopje even ingedrukthoudt, lopen de cijfers automatischsnel door.Als u dichtbij de juiste tijdbent, laat u het knopje los en stelt u deexacte tijd in door het knopje telkensin te drukken en los te laten.

    fig. 61

    P3P

    0047

    2

    fig. 62P

    3P00

    411

  • Attentie. De aanstekerwordt erg heet. Gebruikde aansteker voorzichtig

    en voorkom dat hij gebruiktwordt door kinderen: risico opbrand of brandwonden.

    48

    fig. 65

    P3P

    0029

    5Gebruik de asbak nietals prullenbak: papiertjesen dergelijke kunnen

    door peuken in brand raken.

    ZONNEKLEPPEN fig. 64

    De zonnekleppen zitten aan beide zij-den naast de achteruitkijkspiegel. Zekunnen alleen voor de voorruit wor-den gedraaid.

    Op de achterkant van de zonneklep,zowel aan de bestuurders- als de pas-sagierszijde, is een documentenhoudergeplaatst en aanwijzingen voor het snelontwasemen van de voor- en zijruiten.

    Bij de Panorama-uitvoering zijn deasbakken voor de passagiers tussen demiddelste en zij-stoelen van de ach-terste rij geplaatst.

    BELANGRIJK Controleer altijd ofde aansteker na het indrukken ook uit-schakelt.

    SCHUIFZIJRUITEN IN HET MIDDEN EN ACHTER(Panorama- en Combi-uitvoering fig. 65)(indien aanwezig)

    De schuifzijruiten in het midden kun-nen in horizontale richting wordenverschoven.

    Voor het openen moet u op de knopdrukken, zoals is aangegeven op de af-beelding.

    fig. 64P

    3P00

    438

  • Verplaats de auto nietmet geopende zijdeuren.

    Openen: zoals beschreven bij hetportier van de bestuurderscabine.

    In geheel geopende stand wordt dedeur door een vangmechanisme open-gehouden:druk de deur,om deze een-voudig te blokkeren, tegen de aanslag.Druk voor het ontgrendelen de deureerst iets naar achteren (in de richtingvan de pijl 1-fig. 67a) en vervolgensnaar voren (in de richting van de pijl 2-fig. 67a).

    Zorg er in ieder geval voor dat dedeur op de juiste wijze is vastgehaaktaan het vangmechanisme.

    49

    SCHUIFDEUR ZIJKANT

    Voordat u de autoparkeert met geopendeschuifdeuren, moet altijd

    gecontroleerd worden of de deu-ren goed vergrendeld zijn.

    fig. 67P

    3P00

    335

    fig. 67a

    P3P

    0049

    2

    Van binnenuit met de handopenen

    Trek knopje A-fig. 67 omhoog entrek aan handgreep B.

    Van binnenuit met de handvergrendelen

    Sluit het portier en druk op knopjeA.

    PORTIEREN

    Controleer voordat ueen portier opent of u ditop een veilige manier

    kunt doen.

    PORTIEREN VAN DEBESTUURDERSCABINE

    Van buitenaf met de handontgrendelen

    Draai de sleutel in stand 2-fig. 66 en trek de handgreep in de rich-ting van de pijl.

    Van buitenaf met de handvergrendelen

    Draai de sleutel in stand 1-fig. 66.

    fig. 66

    P3P

    0033

    4

  • Linker deur met de handvergrendelen (1-fig. 68)

    Sluit de deur en duw de hendel instand 1 C-fig 70.

    De twee achterdeuren zijn iedervoorzien van een klemveer die hetopenen van de deur tot 90 beperkt.

    Het systeem van klem-veren is ontwikkeld vooreen beter gebruikscom-

    fort;bij een plotselinge botsing ofeen windstoot kunnen de verenloshaken en kunnen de deurenonverwachts dichtvallen.

    50

    fig. 69

    P3P

    0026

    2

    Rechter deur van binnenuitmet de hand ontgrendelen (2-fig. 68)

    Trek knopje A-fig. 69 omhoog entrek aan hendel B.

    Linker deur met de handopenen (1-fig. 68)

    Trek hendel C-fig 70 in de aangege-ven richting (stand 2).

    Rechter deur van binnenuitmet de hand vergrendelen (2-fig. 68)

    Sluit de deur en druk op knopje A-fig. 69.

    Als de auto op een steilehelling omlaag gepar-keerd staat, laat dan de

    auto niet met geopende deur invergrendelde stand staan: als utegen de deur stoot,kan deze los-raken en naar voren schuiven.

    DUBBELE ACHTERDEUR

    Rechter deur van buitenaf metde hand ontgrendelen (2-fig. 68)

    Draai de sleutel in stand 2-fig. 66 en trek de handgreep in de richting van de pijl.

    Rechter deur van buitenaf metde hand vergrendelen (2-fig. 68)

    Draai de sleutel in stand 1-fig. 66.

    fig. 68P

    3P00

    463

  • Verplaats de auto nietmet geopende achter-deuren.

    51

    Sluiten van de deur:

    trek de deur los van de magneti-sche strips

    haak de klemveer vast en sluit dedeur.

    Om de magnetischestrips in goede staat tehouden, moeten de con-

    tactvlakken van de strips altijdschoon worden gehouden, zowelop de deur als op de zijkant vande auto.

    fig. 71P

    3P00

    002

    DUBBELE ACHTERDEUR DIEVOLLEDIG GEOPEND KANWORDEN 270 (optional)

    Open en sluit de dubbele achterdeurzoals hiervoor staat beschreven.

    Volledig openen van de deur:

    haak de klemveer A-fig. 71

    open de deur volledig totdat dezetegen de zijkant van de auto steunt; detwee magnetische strips B-fig.72 hou-den de deur geopend.

    fig. 70

    P3P

    0033

    7

    Het is mogelijk de openingshoek vande twee deuren te vergroten ommakkelijker in en uit te laden.Hiervoor moeten de klemverenA-fig.71 worden losgehaakt, waardoor dedeuren ongeveer 180 kunnen wordengeopend.

    Als de deuren 180 ge-opend zijn, zijn ze nietmeer vergrendeld. Open

    de deuren niet 180 als de autoop een helling staat of bij veelwind.

    fig. 72

    P3P

    0041

    6

  • Onzorgvuldig gebruikvan de elektrische ruitbe-diening kan gevaarlijk

    zijn. Controleer voor en tijdenshet sluiten van een ruit altijd ofde passagiers niet verwond kun-nen worden door de bewegingvan de ruit zelf of door in bewe-ging gebrachte voorwerpen.

    52

    Verwijder altijd de sleu-tel uit het contact als u deauto verlaat, om te voor-

    komen dat een onverwachtse in-schakeling van de elektrischeruitbediening gevaar oplevertvoor de achtergebleven passa-giers.

    CENTRALE PORTIER-VERGRENDELING(indien aanwezig)

    Van buitenaf:

    Sluit de portieren, steek de sleutelin het slot van n van de portierenvan de bestuurderscabine, en draai desleutel.

    Van binnenuit

    Sluit de portieren en druk het knopjeop n van de portieren van de be-stuurderscabine naar beneden (ver-grendelen) of trek het knopje omhoog(ontgrendelen).

    BELANGRIJK De centrale por-tiervergrendeling werkt niet als eenvan de cabineportieren niet goed ge-sloten is of als er een storing in hetsysteem is. Na enkele pogingen scha-kelt het systeem ongeveer 2 minutenuit. In deze 2 minuten kunt u de por-tieren met de hand ver- en ontgren-delen, zonder dat het elektrische sys-teem werkt. Na de 2 minuten is hetsysteem weer gereed.Als de oorzaakvan de storing is opgelost, werkt hetsysteem weer normaal.Anders scha-kelt het systeem na enkele pogingenopnieuw uit.

    ELEKTRISCHERUITBEDIENINGVOORPORTIEREN (indien aanwezig)

    In de armsteun van het portier aande bestuurderszijde fig. 73 zijn tweedrukschakelaars gemonteerd. Met desleutel in stand MAR bedient u de zij-ruiten:

    A - sluiten linker zijruit

    B - openen linker zijruit

    C - sluiten rechter zijruit

    D - openen rechter zijruit.

    In de armsteun aan de passagierszijdezit een drukschakelaar om aan die zijdede ruit te bedienen.

    fig. 73P

    3P00

    214

  • Wees voorzichtig als uwerkzaamheden in demotorruimte moet ver-

    richten en de motor nog warmis, om brandwonden te voor-komen.Wacht totdat de motor isafgekoeld.

    Controleer altijd of demotorkap vergrendeld is,om te voorkomen dat hij

    tijdens het rijden open gaat.

    Pas op als u sjaals, das-sen of loszittende kle-dingstukken draagt: deze

    kunnen door de bewegende on-derdelen worden gegrepen.

    Voer deze handeling al-leen uit als de auto stil-staat.

    Trek hendel A-fig. 74 links van destuurkolom in de richting van de pijl.

    Open de motorkap aan de voor-zijde door hendel B-fig. 75 omhoogte trekken.

    Trek de steunstang uit klem C-fig.76 en steek het uiteinde van de stangin zitting D op de motorkap.

    53

    Attentie. Als de steun-stang verkeerd geplaatstwordt, kan de motorkap

    onverwachts dichtvallen.

    Motorkap sluiten:

    1) Houd de motorkap met een handomhoog, trek met de andere hand destang fig. 76 uit de zitting D en plaatsde stang terug in klem C.

    2) Laat de motorkap vanaf een hoog-te van ongeveer 20 cm dichtvallen: hijvergrendelt nu automatisch.

    fig. 75P

    3P00

    553

    MOTORKAP

    Motorkap openen:

    fig. 74

    P3P

    0052

    8

    fig. 76

    P3P

    0034

    2

  • Controleer de afstellingvan de koplampen tel-kens als het gewicht van

    de lading wijzigt.

    54

    U kunt de koplampen afstellen doordraaiknop A-fig. 78 in een stand tezetten die overeenkomt met de op devolgende pagina aangegeven beladings-omstandigheden.

    BELANGRIJK Bij de Bestel-, dePick-up- en de Chassis/cabine-uit-voeringen mogen de standen inde tabel met de zin niet ge-bruiken, niet worden gebruikt.

    KOPLAMPEN AFSTELLEN

    Goed afgestelde koplampen zijn be-langrijk voor het comfort en de veilig-heid van uzelf en de overige wegge-bruikers.

    Bovendien zijn er wettelijke voor-schriften.

    Voor optimaal zicht en zichtbaarheidmoeten de koplampen op de juiste wij-ze zijn afgesteld.

    Neem voor controle of afstellingcontact op met de Fiat-dealer.

    Als de auto beladen is,helt hij achter-over. Het gevolg is dat de lichtbundelvan de koplampen meer naar bovenschijnt. De stand van de koplampenmoet nu worden gecorrigeerd.

    KOPLAMPEN

    MISTLAMPEN VOORAFSTELLEN

    Met schroef A-fig. 77 kunt u demistlampen voor afstellen.

    Voor controle of afstelling dient ucontact op te nemen met de Fiat-dealer.

    fig. 78

    P3P

    0048

    2

    fig. 77

    P3P

    0045

    5

  • 55

    Uitvoering

    Bestel (10- 14)

    Camping Car (10 - 14)

    Bestel en camping car (MAXI)

    Panorama en Combi (10)

    Panorama en Combi (14)

    Panorama 4x4 (10)met max. 550 kg in de bagageruimte.

    Minibus - Schoolbus (MAXI) - Ambulance

    Pick-up - Chassis/cabine - Chassis (10 en 14)

    Pick-up - Chassis/cabine - Chassis (MAXI)

    Verlaagd chassis

    Stand 0

    alleen bestuurder

    alleen bestuurder

    alleen bestuurder

    1, 2 of 3 personen opde zitplaatsen voor

    1, 2 of 3 personen opde zitplaatsen voor

    1, 2 of 3 personen opde zitplaatsen voor

    alle beladingsomstandig-heden

    alleen bestuurder

    alleen bestuurder

    alleen bestuurder

    Stand 1

    niet gebruiken

    niet gebruiken

    niet gebruiken

    alle zitplaatsen bezetzitplaatsen voor+ eerste rij bezet

    alle zitplaatsen bezet+ laatste rij bezet

    alle zitplaatsen bezetzitplaatsen voor+ laatste rij bezet

    niet gebruiken

    niet gebruiken

    niet gebruiken

    niet gebruiken

    Stand 3

    volbeladen

    niet gebruiken

    niet gebruiken

    bestuurder+ max. laadvermogenop achteras

    alle zitplaatsen bezet+ max. belasting opachterasbestuurder + max.belasting op achteras

    alle zitplaatsen bezetmax. belasting op achterasbestuurder + max.belasting op achteras

    niet gebruiken

    niet gebruiken

    niet gebruiken

    volbeladenmet oversteekvan meer dan 1800 mm

    Stand 2

    niet gebruiken

    volbeladen

    volbeladen

    alle zitplaatsen bezet+ max. belasting opachteras

    niet gebruiken

    niet gebruiken

    niet gebruiken

    volbeladen

    volbeladen

    volbeladenmet oversteektot aan 1800 mm

  • 56

    ABS (indienaanwezig)De auto is uitgerust met een anti-

    blokkeerremsysteem (ABS). Het sys-teem voorkomt dat de wielen blokke-ren,waardoor de beschikbare grip op-timaal wordt benut en de auto ook tijdens een noodstop bestuurbaar enstabiel blijft.

    Als het ABS in werking is getreden,merkt de bestuurder dit aan een tril-ling in het rempedaal, die gepaard gaatmet enig geluid.

    Dit betekent niet dat het remsysteemniet goed werkt,maar geeft aan dat hetABS in werking treedt. Het geeft aandat grip op de weg verminderd is.Hetis daarom noodzakelijk uw snelheidaan te passen aan de conditie van deweg.

    Het ABS is een aanvulling op het con-ventionele remsysteem;bij een storingschakelt het ABS zichzelf automatischuit, waarna alleen het conventioneleremsysteem werkt.

    Voor het beste gebruik van het anti-blokkeersysteem, is het raadzaam devolgende aanwijzingen op te volgen:

    Als bij een storing niet meer op hetanti-blokkeersysteem kan worden gerekend, zal de remcapaciteit van deauto absoluut niet minder zijn.

    Als u niet eerder in een auto metABS hebt gereden, raden wij u aan hetsysteem eerst een paar keer uit te pro-beren op een glad wegdek.Verlies hier-bij de veiligheid niet uit het oog enhoudt u aan de wetgeving van het landwaarin u zich bevindt. Bovendien ra-den wij u aan de volgende aanwijzin-gen aandachtig te lezen.

    Het voordeel van het ABS ten op-zichte van het traditionele remsysteemis dat de auto optimaal bestuurbaarblijft doordat het blokkeren van dewielen wordt voorkomen,ook bij eennoodstop en in omstandigheden waar-bij de grip op het wegdek beperkt is.

    Het gebruik van het ABS leidt niet al-tijd tot een kortere remweg:als er bijv.ijs of verse sneeuw op de weg ligt, kande remweg langer zijn.

    Het ABS maakt zoveelmogelijk gebruik van debeschikbare grip maar

    kan deze niet verhogen. Daarommoet op gladde weggedeelten al-tijd voorzichtig worden geredenen mogen er geen onnodige risi-cos worden genomen.

    Als het ABS in werkingtreedt, betekent dit datde grip van de banden op

    het wegdek beperkt is;u dient uwsnelheid te verlagen en aan tepassen aan de beschikbare grip.

  • 57

    De auto is uitgerust meteen elektronische rem-drukverdeling (EBD).Als

    bij een draaiende motor tege-lijkertijd de waarschuwings-lampjes > en x gaan branden,dan is er een storing in het EBD-systeem; in dat geval kunnen bijhard remmen de achterwielenvroegtijdig blokkeren waardoorde auto kan gaan slippen. Rijdzeer voorzichtig naar de dichtst-bijzijnde Fiat-dealer om het sys-teem te laten controleren.

    Als het waarschuwings-lampje x voor te laagremvloeistofniveau gaat

    branden,stop dan onmiddellijk deauto en raadpleeg een Fiat-dealer. Als er vloeistof lekt uit hethydraulische systeem, wordt dewerking van zowel het conventio-nele remsysteem als het ABS ingevaar gebracht.

    Als bij een draaiende mo-tor alleen het waarschu-wingslampje >gaat bran-

    den, dan is er een storing in hetABS-systeem. In dat geval werkthet conventionele remsysteem opde normale manier,terwijl geen ge-bruik wordt gemaakt van het an-ti-blokkeersysteem. Onder dezeomstandigheden kan ook dewerking van het EBD-systeem ver-minderen. Ook in dit geval radenwij u aan onmiddellijk en zeer voor-zichtig naar de dichtstbijzijnde Fiat-dealer te rijden,om het systeem telaten controleren.

    Bij een storing gaat hetwaarschuwingslampje >op het instrumenten-

    paneel branden. Rijd met aan-gepaste snelheid naar een Fiatdealer en laat het systeem volle-dig repareren.

    Wees voorzichtig bij het remmen inbochten, ook als de auto is voorzienvan ABS.

    Het allerbelangrijkste advies is ech-ter het volgende:

    Als het ABS in werkingtreedt, merkt u dat aaneen trilling in het rempe-

    daal. Verlaag de remdruk nietmaar houd het rempedaal juistgoed ingedrukt; op deze manierhebt u, afhankelijk van de condi-tie van het wegdek, de kortsteremweg.

    Als u deze aanwijzingen opvolgt, zultu onder alle omstandigheden de rem-men het beste benutten.

    BELANGRIJK Op autos die metABS zijn uitgerust, mogen uitsluitenddoor de fabriek voorgeschreven velgen,banden en remblokken gemonteerdworden.

    Het systeem wordt gecompleteerdmet een elektronische remdrukregelaarEBD (Electronic Brake Distributor) dievia de regeleenheid en de sensoren vanhet ABS de prestaties van het remsys-teem verhoogt.

  • 58

    Direct daarna loopt het kussen weerleeg.

    De airbag voor is een veiligheids-voorziening die in werking treedt van-af een middelzware frontale botsing.Bij botsingen van achteren, zijdelingseof kleine aanrijdingen (waarbij de veilig-heidsgordel de inzittende op zijn plaatshoudt), is het niet noodzakelijk dat deairbag in werking treedt.Als de airbagin deze gevallen niet geactiveerdwordt, betekent dit niet dat het sys-teem niet goed functioneert.

    Bij een ongeval kan een inzittende diegeen veiligheidsgordel heeft omgelegdin contact komen met een airbag dienog niet volledig opgeblazen is, waar-door de inzittende minder beschermdwordt.

    De airbag is geen vervangingvoor de veiligheidsgordels, maareen aanvulling. Draag dus altijdveiligheidsgordels. Bovendien ishet dragen van veiligheidsgordelswettelijk verplicht in Europa (enin de meeste landen daarbuiten).

    Als de airbag in werking treedt, ont-snapt er een beetje rook. Deze rookis niet schadelijk en duidt niet opbrand.

    De conditie van de airbag wordt con-stant gecontroleerd door een elek-tronische regeleenheid.

    Als het lampje - fig. 80 tijdens hetrijden gaat branden (melding van eenstoring), moet u onmiddellijk contactopnemen met de Fiat-dealer om destoring te laten verhelpen.

    AIRBAG (indienaanwezig)

    BESCHRIJVING EN WERKING

    De airbag is een veiligheidsvoorzie-ning (optional) voor de bestuurder,dieonmiddellijk in werking treedt bij eenfrontale botsing.

    De airbag bestaat uit een opblaasbaarluchtkussen dat in het midden van hetstuurwiel is geplaatst.

    Bij een ongeval zorgt een vertra-gingssensor ervoor dat het mechanis-me in werking treedt. Het kussenblaast onmiddellijk op, waardoor hetlichaam wordt opgevangen en de kansop letsel beperkt wordt fig. 79.

    fig. 79

    P3P

    0031

    4

    fig. 80

    P3P

    0044

    8

  • 59

    De airbag heeft een geldigheid van 10jaar. Als deze termijn verstreken is,dient u contact op te nemen met deFiat-dealer.

    BELANGRIJK Na een ongevalwaarbij de airbag in werking is getre-den, dient u contact op te nemen metde Fiat-dealer om de airbag,de veilig-heidsgordels en het eventuele kinder-zitje te laten vervangen.

    Alle controlewerkzaamheden, repa-raties en vervanging van de airbagmoeten worden uitgevoerd door eenFiat-dealer.

    Aan het einde van de lange levens-duur van uw auto, moet u contactopnemen met een Fiat-dealer omhet systeem buiten werking te latenstellen.

    Bij verkoop van de auto moet denieuwe eigenaar op de hoogte gesteldworden van het gebruik en de in-structies, en moet hij het instructie-boekje ontvangen.

    Laat bij diefstal of eenpoging tot diefstal, bij be-schadiging of als de auto

    bij een overstroming onderwater is geweest, de airbag dooreen Fiat-dealer controleren.

    Plak geen stickers of an-dere voorwerpen op hetstuur. Reis niet met

    voorwerpen op schoot en houdvooral geen pijp, potlood, enz inde mond. Bij een ongeval waarbijde airbag in werking treedt, kandit ernstig letsel veroorzaken.

    Rijd altijd met beidehanden op de stuurwiel-rand, zodat bij het in

    werking treden van de airbag,hetsysteem niet wordt gehinderddoor obstakels die ernstig letselkunnen veroorzaken. Rijd nietmet voorover gebogen lichaammaar ga goed rechtop zitten ensteun tegen de rugleuning.

    Als u de contactsleutelin stand MAR draait, gaathet lampje branden.

    Het moet na ongeveer 4 secon-den doven. Als het lampje nietgaat branden,blijft branden of alshet gaat branden tijdens het rij-den, stop dan onmiddellijk enneem contact op met de Fiat-dealer.

    De airbag is geen ver-vanging voor de veilig-heidsgordels, maar een

    aanvulling. De inzittenden wor-den uitsluitend door de veilig-heidgordels beschermd bij fron-tale botsingen bij lage snelheid,bijzijdelingse aanrijdingen en als deauto over de kop slaat.De gordelsmoeten dus altijd gedragen wor-den.

  • 60

    fig. 81

    P3P

    0044

    9

    Achter het vakje zitten de voedings-kabels, de aansluitkabels voor de luid-sprekers en de antenne.

    Opmerking De kabels zijn om ram-melen te voorkomen met plakbandaan de kabelbundel van de verwarmingbevestigd.

    De luidsprekers voor moeten in dezittingen aan het uiteinde van het dash-board worden gemonteerd fig. 82:

    A - zitting voor linker luidspreker

    B - zitting voor rechter luidspreker.

    Montage: maak de bekleding aan deonderkant van het dashboard los enmonteer de luidspreker in de zitting.

    AUTORADIO (optional)

    Het pakket bestaat uit:

    inbouwpakket (zie vorige paragraaf)

    stereo radio/cassettespeler met af-neembaar front (zie voor de eigen-schappen en werking het bijgevoegdesupplement Autoradio).

    MONTAGEVOORBEREIDING

    Alle uitvoeringen zijn standaard uit-gerust met:

    voedingskabels voor de autoradio

    kabels voor de luidsprekers in hetdashboard

    een inbouwplaats voor de auto-radio

    antennekabel.

    De autoradio wordt ingebouwd opde plek die met het aflegvakje is afge-dekt. U verwijdert het vakje door opde borglippen A-fig. 81.

    AUTORADIO

    fig. 82P

    3P00

    261

    Als u direct na aankoopvan de auto een autoradiowilt installeren, moet u

    eerst contact opnemen met deFiat-dealer;deze zal u instructiesgeven om de levensduur van deaccu te verlengen. Als de accu bij uitgezette motor langdurigwordt ingeschakeld, beschadigtde accu en dat kan het vervallenvan de garant