Verslag Jaarvergadering Vereniging voor Gezondheidsrecht 11 april 2003

  • View
    218

  • Download
    4

Embed Size (px)

Transcript

  • VERSLAG

    Verslag Jaarvergadering Vereniging voor Gezondheidsrecht 11 april2003

    Mr. L.A.P. Arends en mw. mr. drs. B.J.M. Frederiks

    Op 11 april 2003 vond in Zeist, onder leiding van voor-

    zitter prof. mr. J.K.M. Gevers, de zeer goed bezochte

    jaarvergadering van de VGRplaats. Tijdens deze vergade-

    ring werd de tweejaarlijkse mr. C.J. Goudsmit prijs uitge-

    reikt. Deze prijs werd dit jaar toegekend aan mr. J.W. van

    der Gronden. Hij ontving deze voor zijn publicatie in

    TvGR 2002, nr. 5, p. 308, met als titel: Toezichthouders

    in de zorg en de NMa: conflicterende bevoegdheden?.

    Naar het oordeel van de jury is het mededingingsrecht

    dat centraal staat in dit artikel van toenemendemate van

    belang voor de gezondheidszorg. De jury prijst Van der

    Gronden vanwege het feit dat hij drie rechtsgebieden op

    een heldere wijze met elkaar in verband heeft gebracht.

    Voor de ontwikkeling van het gezondheidsrecht is de

    interactie met aanpalende rechtsgebieden van groot

    belang, aldus het juryrapport.

    Jaarrede zelfbeschikking rond het levenseinde

    Voordat de voorzitter zijn jaarrede uitspreekt, staat hij

    stil bij het overlijden van prof. dr. H.J.J. Leenen, ere-

    voorzitter van de Vereniging voor Gezondheidsrecht.

    Leenen is van grote betekenis geweest voor het gezond-

    heidsrecht in het algemeen en voor de Vereniging voor

    Gezondheidsrecht in het bijzonder. De jaarrede van de

    voorzitter is gewijd aan een van de themas die in het

    werk van Leenen centraal hebben gestaan: beslissingen

    rondom het levenseinde. Gevers schetst in het kort de

    betekenis die Leenen heeft gehad voor dit thema om

    vervolgens en in het verlengde daarvan op enkele

    recente ontwikkelingen in te gaan.

    Tot slot staat Gevers stil bij de wijze waarop het

    bestuur van de vereniging Leenen wil blijven herdenken.

    Het bestuur heeft besloten tot instelling van een Henk

    Leenen lezing. Deze lezing wordt elke tweede jaarver-

    gadering afwisselend met de huidige reden van de voor-

    zitter, gehouden. Een spreker van binnen of buiten de

    vereniging krijgt de gelegenheid om een belangrijk thema

    op het snijvlak van recht, gezondheid(szorg) en samen-

    leving aan de orde te stellen. De eerste Henk Leenen

    lezing zal worden uitgesproken tijdens de jaarvergade-

    ring in april 2004.

    Preadvies psychiatrie en recht

    Na de pauze verplaatst de aandacht zich naar het pre-

    advies, waarvan de titel luidt psychiatrie en recht. Het

    eerste gedeelte van het preadvies handelt over de Wet

    Bopz en de psychiatrie. Kanttekeningen bij een regeling.

    De auteur is mr. drs. T-P. Widdershoven. Het tweede

    gedeelte van het preadvies heeft betrekking op de Wet

    Bopz in de psychogeriatrie en de verstandelijk geh-

    andicaptenzorg. De titel luidt Rechtsbescherming bij

    vrijheidsbeneming in de sectoren verstandelijk gehandi-

    captenzorg en psychogeriatrie. Auteur is mr. dr. K.

    Blankman.

    Beide auteurs krijgen de gelegenheid om hun preadvies

    kort toe te lichten. De co-referaten worden verzorgd door

    drs. Lucieer, psychiater en hoofdinspecteur geestelijke

    Mr. L.A.P. Arends en mw. mr. drs. B.J.M. Frederiks (*)L.A.P. Arends is als universitair docent verbonden aan hetinstituut Beleid en Management Gezondheidszorg, ErasmusUniversiteit Rotterdam. Mw. B.J.M. Frederiks is als AIOverbonden aan het cluster Zorgwetenschappen van deUniversiteit Maastricht, sectie Gezondheidsrecht. Beidenwerken aan een proefschrift over respectievelijk derechtspositie van psychogeriatrische patienten en derechtspositie van verstandelijk gehandicapten.

    Tijdschrift voor Gezondheidsrecht (2003) 27:8591

    DOI 10.1007/BF03055927

    13

  • gezondheidszorg Inspectie voor de Gezondheidszorg, en

    door mw. mr. R. de Roode, jurist bij de KNMG.

    Inleiding Widdershoven

    In de toelichting op zijn preadvies, gaat Widdershoven in

    op de externe rechtspositie. Daarbij staat hij in de eerste

    plaats stil bij het gevaarscriterium. Leijten gaf destijds in

    zijn preadvies meerdere bedenkingen bij het gevaarscri-

    terium, die Widdershoven voor een deel onderschrijft.

    Tegelijkertijd biedt het gevaarscriterium meer rechtsze-

    kerheid ten opzichte van de voorheen geldende criteria

    van de Krankzinnigenwet, wat een sterk punt is aldus

    Widdershoven.

    De externe rechtspositie wordt voorts bepaald door

    het bereidheidscriterium. Legemaate keerde zich in 1994

    tegen dat criterium. Widdershoven deelt deze mening.

    Een rechterlijke tussenkomst is pas aan de orde als

    betrokkene zich tegen opneming of verblijf verzet. Als

    de patient tot de gbgb-groep de groep patienten die

    geen bereidheid toont maar ook geen bezwaar tegen

    opneming of verblijf maakt behoort kan bij opneming

    worden volstaan met de toestemming van de vertegen-

    woordiger, zoals de begeleidingscommissie van de tweede

    Bopz-evaluatie ook voorstelt.

    Ook bij de regeling van de interne rechtspositie plaatst

    Widdershoven een aantal kanttekeningen. Hij wijst op de

    discrepanties met de externe rechtspositieregeling.

    Dwangopneming gaat gepaard met een rechterlijk fiat

    op voorhand. Dit is geheel anders bij de interne dwang-

    interventies. De eigen behandelaar van de patient beslist

    op eigen gezag over kwesties als gedwongen medicatie en

    separatie. Widdershoven verbaast zich over de vanzelf-

    sprekendheden die hier spelen. Een rechterlijke machti-

    ging tot behandeling is een meer logische variant. De Wet

    Bopz maakt ook anderszins een bedenkelijk onderscheid

    tussen opneming en behandeling, nu ook vormen van

    ambulante dwangtoepassing geen gelijkwaardige regeling

    vinden.

    Widdershoven geeft verder in zijn inleiding aan dat hij

    op sommige punten vereenvoudiging van de Wet Bopz

    nodig acht. Op andere punten verdient de wet aanscher-

    ping. Hij is van mening dat op het punt van de rechts-

    grond een nader onderscheid moet worden gemaakt

    tussen beveiliging en behandeling. Dit onderscheid is

    met name relevant met het oog op de wils(on)bekwaam-

    heid van betrokkene. Bij wilsbekwaamheid acht hij the-

    rapeutisch ingrijpen onder dwang niet terecht, maar voor

    beveilingsruimte is dan mogelijk wel weer ruimte.

    Tot slot refereert hij nog aan de promotie van

    Dijkers, die op 10 april 2003 promoveerde op de

    positie van de belangrijkste participanten bij de

    Bopz-machtigingsprocedure.

    Co-referaat Lucieer

    Een aandachtspunt van Lucieer is het gevaarscriterium,

    waar Widdershoven over spreekt in zijn preadvies. In

    eerste instantie richtte de definitie van gevaar zich vooral

    op agressie. Op dit moment is het begrip gevaar vanuit

    jurisprudentie verder uitgewerkt in de wet. Merkwaardig

    noemt Lucieer het feit dat dit meest cruciale begrip in

    beginsel niet was uitgewerkt in een toch zeer belangrijke

    wet. De wet beschrijft voorts diverse condities waaronder

    dwangbehandeling en de toepassing van middelen of

    maatregelen is toegestaan. Lucieer is het met Widders-

    hoven eens dat we in de nabije toekomst moeten bekijken

    of al deze condities voor alle patienten moeten gelden.

    Hij deelt ook de mening die Widdershoven heeft ten

    aanzien van de gbgb-groep. Wellicht is het beter om in

    de toekomst over te stappen op het bezwaarcriterium

    voor opneming.

    Twee andere lastige begrippen zijn verzet en wilsonbe-

    kwaamheid. Beide begrippen zijn noch door de wet nader

    gedefinieerd, noch door de praktijk en geven veel ruimte

    aan hulpverleners in de dagelijkse praktijk. Er zijn dus

    drie begrippen die nader moeten worden geoperationali-

    seerd: gevaar, verzet, wilsonbekwaamheid.

    Vervolgens is van belang wie beslist over behandeling

    van patienten die wilsonbekwaam zijn? In beginsel mag,

    net zoals in de somatiek, de vertegenwoordiger een beslis-

    sing nemen namens de patient, tenzij deze zich verzet. Op

    dat moment moet een hulpverlener rekening houden met

    de regels van de Wet Bopz. Van belang is dat de wet ook

    consequent wordt opgevolgd. Dat gebeurt volgens Luci-

    eer nog onvoldoende. Hetzelfde kan worden gezegd over

    rechtbanken. Er zijn regios waar het beleid van de wet-

    gever onvoldoende wordt gevolgd. Daar wordt door

    rechtbanken gesteld dat dwangbehandeling bij vrijwillig

    opgenomen patienten kanworden toegepast. Volgens het

    beleid van de Inspectie moet eerst een IBS worden aan-

    gevraagd, zodat de juiste rechtspositie wordt gecreeerd

    voor de patient. Lucieer blijft pleiten voor een goede

    wettelijke regeling voor al die situaties waarbij dwangbe-

    handeling aan de orde is.

    Of dit ook moet gelden voor vrijheidsbeperkingen,

    waarbij niet direct sprake is van dwangbehandeling

    is een vraag van een andere orde. Veel vrijheidsbe-

    perkingen worden, ook in niet-Bopz-instellingen, met

    instemming van de wettelijke vertegenwoordiger of de

    verpleegkundige toegepast. Widdershoven stelt in zijn

    referaat terecht de vraag wie verantwoordelijk is voor

    deze maatregelen. Lucieer is van mening dat ten aanzien

    86 Tijdschrift voor Gezondheidsrecht (2003) 27:8591

    13

  • van deze toepassingen de wet recht moet worden getrok-

    ken. De wet is in deze ook weinig consequent. In beginsel

    is bij de toepassing van middelen of maatregelen een arts

    verantwoordelijk voor de indicatie. Dit geldt weer niet bij

    dwangbehandeling. Bij de voorwaardelijke machtiging