Arts tussen bedstee en computer

  • View
    259

  • Download
    9

Embed Size (px)

DESCRIPTION

 

Text of Arts tussen bedstee en computer

  • 2Auteur Ad FrazaEindredactie Ton Thelen

    Fotografie Piet Kuppens p. 60, 178, achterzijde omslagVormgeving Jos Biemans

    Drukkerij Van Helvoort, Gemert

  • 3Arts tussen Bedstee en ComputerAd Fraza

    Herinneringen aan mijn huisartsenpraktijk1953 een tijdsdocument 1993

    april 2012

  • 4In dankbaarheid en goede herinnering draag ik dit boek op aan de leden van de maatschap te weten: Frans Suijs, Lidwien Bernsen en Hans Willemsen. Ad Fraza

    Dit verhaal, een boeket waarmee de schrijver in al zijn kleurigheid binnenkomt. Truce

  • 5Onlangs kreeg ik op ons sneeuw-weekend in Sauerland, dat wij dit jaar ( 2010) voor de derde keer met ons groot gezin vierden, van mijn oudste zoon en collega-huisarts Lucas, mede namens alle kinderen, voor mijn 77e verjaardag, het boek mijnheer Doktoor. Verhalen over leven en dood, leven en lust van 1937-1964 in Vlaanderen, van Peter Vandekerckhove. Het verhaalt op bewogen en speelse wijze de herinneringen en wederwaardigheden van vele Vlaamse huisartsen in de periode van vr mijn tijd. Terwijl ik het las, en mijn vrouw Truce ook mee genoot, moesten we vaak lachen om de talrijke anekdotes waarvan wij er veel herkenden. Daarnaast waren we ook geroerd door de treffende beschrijvingen.Helaas heb ik vrijwel niets opgeschreven uit mijn praktijkjaren, en dat had meerdere redenen. Vrijwel alle gesprekken in de spreekkamer hadden een besloten karakter, wat nog versterkt werd door de geheimhoudingsplicht. Als er al momenten waren, die een anekdotische waarde hadden, dan was dat hoogstens op dt moment het geval, maar als je het zou opschrijven, werd het uit zijn verband gehaald en was het voor de lezers niet meer interessant.

    Na het lezen van bovengenoemd boek is toch de behoefte ontstaan om wat op te schrijven over mijn jaren in de praktijk. Ik hoefde de knop maar om te zetten en de film begon te lopen. Soms denk ik: heb ik dat allemaal werkelijk meegemaakt, het grenst af en toe aan een droom. Tussen de diverse hoofdstukken heb ik wat anekdotes gestrooid als verbinding tussen theorie en praktijk.

  • 6Achtergrond, het nest waaruit ik kom

    Voorafgaand aan mijn belevenissen geef ik wat achtergrondinfor-matie over mijn nest van herkomst. Ik werd op 31 januari 1933 in Utrecht geboren, als vijfde van de zeven kinderen, vier meisjes en drie jongens, die opgroeiden in ons huis aan de Parkstraat nr. 10. Van de crisisjaren kan ik mij vrijwel niets herinneren. De geboorte van het prinsesje Beatrix op mijn vijfde verjaardag was een onvergetelijk feestelijke dag met alleen maar hl veel vlaggen.

    Mijn vader was rond 1922 als boekhouder zijn werkzaamheden begonnen op de Stichtse Olie en Lijnkoekenfabriek, gelegen in de wijk Oog in Al. Mijn moeder bestuurde ons grote gezin met voortvarendheid, en was de spil in het huishouden, waar zij met haar gevoel voor humor en haar kookkunst, een sfeer maakte waaraan latere vrienden nog steeds goede herinneringen hebben. We hadden een open huis, waar iedereen welkom was. Toen mijn ouders trouwden, was mijn moeder wettelijk verplicht haar baan als handwerklerares op te zeggen. Helaas was haar gezondheid, door klachten van reumatisch degeneratieve aard, een voortdurende bron van aandacht en zorg voor vader en ons allemaal. We hebben eigenlijk nooit een gezonde moeder gekend. Ondanks haar zonnige karakter speelden haar lichamelijke gebreken op de achtergrond altijd mee. In het weekend trok vader er met ons op uit. We fietsten dan naar Oud Valkenveen, waar we genoten van de speeltuin en het pootje baden in het IJsselmeer. Ook kersen eten in de boomgaarden rond Utrecht, in Cothen en Bunnik, waren s zomers een must. We namen dan steevast een bennetje (een afgesloten mandje) met kersen voor het thuisfront mee. Vader hield van tuinieren, planten en bloemen. Ook op zaterdagmorgen ging hij zoals gewoonlijk met de fiets naar kantoor, belde om een uur of een naar huis, waarna

  • 7een van ons naar de bloemenmarkt op het Janskerkhof ging om de inkoop mee op te halen. Een andere keer, midden zomer, maakten we met moeder, haar zus Martha en de verzamelde kroost een uitstapje met de Zeister tram, een begrip in Utrecht. Deze tram had in de zomer open coups, hetgeen een feestelijke uitstraling had. Vanaf de Biltstraat gingen we naar Zeist, waar we de hele dag speelden in de speeltuin Het Jagertje. Groter wordend verkenden we per fiets de Utrechtse Heuvelrug met een bezoek aan de piramide van Austerlitz als hoogtepunt.

    Ook de 10e mei 1940, een prachtige lentedag, waarop de Duitsers ons land binnenvielen, de koningin haar volk via de radio toesprak, en de oorlog een feit werd, staat nog vers in mijn geheugen. De Nederlandse Leeuw ging voor onbepaalde tijd ondergronds. Alle ontberingen hadden in de jaren die volgden hun dieptepunt in de hongerwinter van 1944-1945. Kort daarvoor moest mijn oom onderduiken, waardoor zijn hele gezin, mijn tante Martha met ook zeven kinderen, bij ons kwamen inwonen. Het was de periode van improviseren en zorg om te overleven. In die bewuste hongerwinter zaten wij met veertien kinderen en onze ouders vrijwel opgesloten in ons huis. Mijn oom Jo, een optimist van nature, speelde geweldig piano, zonder bladmuziek, en hielp door zijn muzikale ondersteuning de stemming en de moed er in te houden. Door de kinderuitzending in begin februari 1945, kwamen mijn jongere zus Juul (9 jaar), ik (12 jaar), en drie neven, enkele weken voordat de IJsselovergangen op 1 maart werden afgesloten, veilig bij onze pleegouders in Marinheem aan. Het was een ingrijpende gebeurtenis zowel voor ons kinderen als voor onze ouders. Er was geen enkele informatie over onze uiteindelijke bestemming.

    Na de oorlog in 1947 verhuisden wij naar de Van Hogendorpstraat, waar we in een riant herenhuis, zoals dat in die tijd genoemd werd, veel meer ruimte hadden en ieder van ons een eigen kamer kreeg.

  • 8Mijn vader was een zorgzame, soms ook een strenge, rechtvaardige en zeer gelovige man, die hard werkte voor zijn gezin om ons groot te krijgen en zelfstandig te laten opgroeien. Hij was van mening dat de jongens een middelbareschooldiploma en de meisjes minstens een mulodiploma moesten halen, en stimuleerde en inspireerde ons met zijn voorbeeld. Jongen ga wat doen, ga je ontwikkelen, of: wat je doet, doe dat goed en geen half werk, waren uitspraken die regelmatig over ons werden uitgestrooid.

    In de periode, direct na de bevrijding, begon het uitvliegen. Mijn oudste zus Thea (1) ging in 1945 de verpleegstersopleiding volgen, enkele jaren later gevolgd door zus Nan (3) die ook voor de verpleging koos. Het Antoniusziekenhuis waar zij hun opleiding volgden, lag vlak bij ons huis aan de andere kant van het Wilhelminapark. Mijn broer Wim (2), ging in 1949 geneeskunde studeren. Zus Jeanne (4) leerde haar toekomstige echtgenoot kennen en emigreerde in 1953, een jaar nadat haar verloofde al was gemigreerd. Zij vertrok per boot uit de Rotterdamse Jobshaven, voor een zes weken durende tocht naar Nieuw-Zeeland. Ik zelf was nummer 5. Na mij kwam mijn zus Juul (6), die ook voor de verpleging koos, en later in de wijkverpleging haar ambities waarmaakte. Tot slot mijn broer Hans (7), die na de middelbare school een opleiding op de Hogere Textiel School in Enschede volgde en zijn studie als econoom in Rotterdam afrondde. Uiteindelijk kozen vijf van de zeven kinderen voor een medische loopbaan, in leidinggevende functies, samen goed voor ruim 150 jaar medische zorgverlening.

    Vader had door de jaren heen zijn accountantsdiploma behaald, en werd benoemd tot onderdirecteur van zijn S.O.L. (Stichtse Olie en Lijnkoekenfabriek). Als lid van de Nederlandse Broederschap van Accountants heeft hij het nog meegemaakt dat hij de titel registeraccountant mocht voeren. Het was de kroon op een jarenlange inzet en volharding in zijn werk.

  • 9Eigen historie, naar studiekeuze aan deUtrechtse Universiteit

    In het voorjaar van 1953 was ik als soldaat van de Lichte Luchtdoel Artillerie afgezwaaid. Mijn vader had als overbruggingsperiode naar een eventueel te volgen studie, een stage voor mij geregeld op de Twentsche Bank, in het statige pand op het Janskerkhof in Utrecht. Wij hadden in die tijd een eerste auto, een Austin (L-7454).Vader had geen rijbewijs, zodat ik tot huischauffeur van de familie gebombardeerd werd. Dagelijks bracht ik hem naar zijn kantoor op de S.O.L., een coperatie van veehoudende boeren rond Utrecht. Vervolgens reed ik naar mijn kantoor op de Twentse Bank. Het was in die tijd nog mogelijk om de auto gewoon bij de Janskerkte parkeren. Ik voelde mij van het begin af aan in het bankwezen duidelijk niet op mijn plaats, en wel in die mate dat mijn motivatie om te gaan studeren met de dag duidelijker werd. Mijn eerste keuze voor diergeneeskunde was ongetwijfeld mede bepaald door mijn hongerwinterervaringen bij de boeren in Salland. De korte periode van begin februari tot juli 1945, die ik op de boerderij bij de familie Heuvink in Marinheem (gemeente Raalte) doorbracht, hield mij niet alleen in leven, maar zou ook zijn invloed hebben op de rest van mijn leven en mijn denken en doen blijvend benvloeden. Ik viel letterlijk op een cruciaal moment uit mijn vertrouwde wereld. Gezien het voorbeeld van mijn oudste broer Wim, dacht ik ook aan de mogelijkheid om geneeskunde te gaan studeren. Geneeskunde leek mij erg moeilijk, bovendien hield het proces rond het sterven mij erg bezig. Hoe moest je daar mee omgaan, als je geen mogelijkheid tot genezen meer zag, wat dan? Daarnaast kwam de psychiatrie niet uitnodigend, maar eerder bedreigend op mij over. Het werd dus diergeneeskunde, maar na driekwart jaar kwam toch de twijfel, waarna ik na het eerste studiejaar de propedeutische examens waren identiek alsnog besloot om over

  • 10

    te schakelen naar geneeskunde. Toen ik eenmaal de stap gezet had, voelde ik me bevrijd en ook later als een vis in het water. I